Rob de Nijs heeft altijd een snaar willen raken: „Je moet een lied voelen. Dáár maak ik muziek voor. Al kunnen liedjes schilderijen zijn waar iedereen iets anders in ziet.”

Foto Andreas Terlaak

Interview

Rob de Nijs: ‘Er heeft altijd iets vreemds rond mij gehangen’

Interview | Rob de Nijs Vrijdag komt het nieuwe album van Rob de Nijs uit: ‘ ’t Is mooi geweest’, een geladen slotakkoord. „Dit is de punt achter mijn verhaal. Het zegt wie ik ben op dit moment – kwetsbaar.”

Vroeger, het was nog bij hun oude huis, kwamen er vaak fans aan het hek. Uren konden ze er staan, in de hoop op een glimp van de zanger. Of beter, een handtekening, een praatje. „Das war einmal”, zegt zanger Rob de Nijs (77). „Het is eigenlijk wel goed dat die tijd voorbij is.”

De zanger ontvangt met echtgenote Jet aan de eettafel in hun ruime huis aan een doodlopende weg bij Bennekom. Hun achtjarige zoontje is op school. Hond Beer scharrelt in de tuin. Er herinnert hier, op de piano tegen de muur na, opvallend weinig aan De Nijs’ lange muziekcarrière. Alles – muziekprijzen als een Gouden Harp en Edison, vergulde replica’s van succesalbums, foto’s – staat in dozen op zolder, zegt De Nijs. Omdat hij daar geen waarde meer aan hecht? Nee, zo ligt het niet. Maar hij liet het achter hem. De erkenning wordt abstracter maar voelt blijvend. Het zat ’m voor hem nooit in prijzen. Hooguit, zucht de zanger, is het jammer dat zijn oude liedjes niet meer op de radio gedraaid worden.

Rob de Nijs, lachende ogen boven een grijze, volle baard, met grijs achterovergekamd haar, heeft beperkte energie als gevolg van zijn ziekte van Parkinson. Thuis afspreken leek hem het makkelijkste. Terwijl Jet zorgt voor mokken kruidenthee op tafel, begint hij met een kleine waarschuwing: „Let niet op die hand.” Zijn rechter „trilhand” hopt uit eigen beweging over de tafel, zoals een jazzpianist zijn stride-akkoorden op de toetsen plaatst. Hij somt op met een lach: oud, parkinson én astma sinds zijn prille jeugd. Een driedubbel risico in coronatijd.

Slotakkoord

Vrijdag komt het album ’t Is mooi geweest uit, een geladen slotakkoord. Na bijna zestig jaar in het vak neemt de zanger, gedreven vakman die zo’n 700 liedjes opnam, in de herfst van zijn leven afscheid. Even ontroerend als confronterend zingt hij in het gros van de medium-tempo liedjes over het loslaten van idealen en lichamelijke aftakeling, en is er berusting over wat niet meer hoeft.

Zijn tijd verdwijnt, zingt hij in ‘Nooit meer stil’. De single ‘Wat als later nu wordt’, een americana-liedje dat voor hem is geschreven door Paskal Jakobsen (Bløf) en Danny Vera, beschrijft de ‘aankomende storm’. De Nijs zingt hoe „het gesodemieter is begonnen” en het begint te waaien. Hoe blijkt „dat later nu is”.

Dat hij nog een album maakte was na Niet voor het laatst (2017) niet per se de bedoeling, grijnst hij. Hij had er totaal geen zin meer in, dat hele traject, weer. Maar toen er mooie nummers ‘binnenwaaiden’, ging hij denken. Een afscheidsalbum. Een getimede afsluiting. „Dit is de punt achter mijn verhaal. Ik ben er nuchter in: op een gegeven moment moet het maar over zijn. Beter stoppen als mijn stem nog aardig klinkt en ik het nog leuk vind. Dat dit album zegt wie ik ben op dit moment – kwetsbaar, ik laat redelijk wat van mijzelf zien – vind ik spannend.”

Vanaf zijn zestigste begon zijn tremor, een licht trillen. Je zag het in een close-up, zijn hand met microfoon ging heen en weer. Vorig jaar viel de zanger achterover van het podium bij een optreden in Naaldwijk. Maar het was ook een stom, kort podium, merkt hij op.

Ze besloten het nieuws over zijn ziekte naar buiten te brengen. Dat luchtte op, knikt hij. „Al zou ik me niet hoeven verantwoorden, toch? Dat is enkel omdat mensen met een oordeel klaar staan. Tsss, drank natuurlijk. Dat overkwam Adèle Bloemendaal op het laatst ook.”

Maar zijn openheid spreekt aan, merkt hij. Verschuilen achter een imago – het mooie tieneridool, de zwoele troubadour, de gepolijste in het leer gestoken hartenbreker, de integere chansonnier, de publieksmenner in dure designerskleding (hij was er dol op!) – het hóéft allemaal niet meer. Afgelopen maart zong hij bij De Wereld Draait Door. In de lege studio klonk zijn ‘Niet voor het laatst’, over het proces van ouder worden, breekbaar. Na afloop kreeg hij ongekend veel reacties.

„Dat ben ik niet gewend”, zegt De Nijs met een lach. „Meestal hoor ik weinig. Er heeft altijd iets vreemds rond mij gehangen. Mijn muziek mocht je nooit hardop goed vinden. Ik was meer een guilty pleasure. Het was zomaar een tv-optreden, dacht ik, met een mooi stemmig liedje dat iets los maakte. Ik denk dan: ik doe het altijd zo, maar de mensen zagen het ineens.”

Hij stelt vast dat de belangstelling voor hem als artiest ineens veel groter is geworden. Lachend: „God mag weten hoe dát komt. Hm, ik geloof dat ze de pure richting die ik nu kies oké vinden.”

Hij drinkt zijn thee. Zijn vrouw Jet vult aan dat het leek of de mensen ineens zagen wat een goede zanger hij is. Omdat hij in al zijn kwetsbaarheid niet anders was dan, ja, zichzelf. Precies, knikt hij. „Het heeft lang geduurd voor ik dat durfde. Ik dacht altijd meer aan uiterlijkheden, hoe ik eruitzag op camera. Ik heb nooit van nature die rust gehad. Een lied was altijd een berg om te beklimmen. Dat zat mij vaak dwars.”

Zo ook bij opnames deze zomer. „Ik heb ruim de tijd genomen voor elk liedje, soms met een dag, of twee, ertussen.” Voor hem als perfectionist is zijn huidige staat een beproeving. „Want wat de ziekte met mijn stem doet, is afwachten. Maar ook om iets simpels als een verkoudheid kon ik afzeggen hoor.”

„Nou, dat is niet helemaal waar, De Nijs”, klinkt het uit de keuken. „Wel?”, reageert hij. „Nee”, zegt Jet beslist. „Jaren geleden zat het tussen je oren niet goed en had je de neiging om sowieso alles maar af te zeggen, weet je nog?” Hij, een lach naar de bezoeker: „Hm, ja goed, nou ik ben ook maar een mens.”

Zij: „Soms moet je er ook… eh … doorheen?”

Hij: „Ja, als ik twijfel. Als ik nu denk aan de komende shows – als ze nog komen – dan weet ik niet hoe ik me straks voel. De stem laat mensen toch in je ziel kijken. En het gaat best rap. Het is maar een spiertje hè, die stembanden gaan verslappen.”

Zij: „Met een progressieve aandoening is het lastig in te schatten.”

„Het zijn nu alleen mijn handen”, zegt hij. „Er zijn ook mensen die niets meer kunnen. Nou ja, dan hebben we nog altijd de bekende pil.”

Lijflied

De zware shaffiaanse ballade ‘Nog niet voorbij’ beschouwt hij als zijn lijflied voor parkinson. Zonder larmoyant te willen zijn, waarschuwt de zanger. „Ik vermijd zelf alle tranen hoor! Laat iedereen ze maar hebben – behalve ik. Als ik zing: ‘Als ik wankel op mijn benen, dan houdt ze nog steeds van mij’, dan is dat echt op ons leven geschreven door Paskal Jakobsen. Het is de werkelijkheid: ik wankel af en toe op mijn benen. Dat maakt voor haar” – hij wijst naar zijn vrouw – „gelukkig niets uit. Dat geeft me het gevoel dat ik de toekomst aankan. Je hebt een kameraad nodig bij deze ziekte.”

Zijn meest gedraaide nummers op Spotify zijn: ‘Banger hart’ (7,7 miljoen keer afgespeeld), ‘Het werd zomer’ (6,8) en ‘Malle Babbe’ (6,5). Zelf schreef hij weinig, hij leunde op buitenlandse covers van bijvoorbeeld Cliff Richard en liedjes die anderen, als Boudewijn de Groot, Lennaert Nijgh, ex-vrouw Belinda Meuldijk, Daniël Lohues en ook Spinvis voor hem schreven.

Die afhankelijkheid zat hem niet dwars. „Mensen vonden het fijn om iets voor me te maken. Een Sinatra of Presley deed het zo ook! Ik ben een performer, ik voer uit. Er zijn er zoveel die het beter kunnen.”

Binding met de tekst was belangrijker. Het begint altijd met de woorden. Volgens Willeke Alberti meent hij wat hij zingt. De Nijs heeft altijd een snaar willen raken, zegt hij zelf. „Je moet een lied voelen. Dáár maak ik muziek voor. Al kunnen liedjes schilderijen zijn waar iedereen iets anders in ziet.”

Kameleon

In zijn carrière ging Rob de Nijs als een kameleon door de genres. Als tieneridool met zijn band de Lords (‘Ritme van de regen’, 1963), als blikvangend tv-ster (Oebele, Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, mijnheer?), de vruchtbare samenwerking met Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh die in de jaren zeventig leidde tot zijn grote successen: ‘Malle Babbe’, ‘Zuster Ursula’, ‘Jan Klaassen de trompetter’. „Ik heb zo’n geluk gehad dat ik ze mocht zingen”, zegt De Nijs daarover. „Wat ze schreven paste me goed.”

Ze werden de feestnummers op zijn palmares. „Ik kon de mooiste, diepzinnigste liedjes zingen. Maar publiek lynchte me net niet als ik ‘Malle Babbe’ niet zong. Nog steeds een prachtig liedje trouwens. Toen Adèle Bloemendaal het zong, een luisterliedje toen, sprak ze het woord kont niet uit. Je lekkere ….!” (hij slaat op de tafel). „Als performer buitte ik dat goed uit. En ik kan het nog brengen of het mijn eerste keer is.”

Als vertolker van Nederlandstalige kwaliteitspop vond hij zich steeds opnieuw uit. De Nijs deed „gewoon” wat hij mooi vond: integere popmuziek, chansons. Op de plaat Eindelijk vrij (2010) die hij maakte met Daniël Lohues in Louisiana raakte hij aan een rauwer countrygeluid.

„Lekker” kon De Nijs aandacht vinden. Die kwam flink toen Met je ogen dicht een nummer-1-positie haalde in 1980. Maar er waren ook periodes dat hij minder goed lag – dat hij „verguisd werd” of toen Nederlandstalige muziek halverwege de jaren tachtig op de achtergrond raakte. „Doordat ik beide kanten ken, ben ik zo goed als ik ben. Dat is geen arrogantie. Ik heb alles gedaan en doorleefd, maar het vak uit, ging ik nooit. Mijn vele verschillende zijstapjes deed ik om de draad gespannen te houden.”

Of hij zijn nieuwe nummers nog kan uitvoeren weet hij niet. Hopelijk. „We zitten klem tussen corona en gezondheid. Mijn grote laatste shows in november gaan nu ook niet door.” Maar, klinkt hij later optimistisch bij zijn Dracula-flipperkast („ik sleep ’m al jaren mee”) in de gang: „Die parkinson is nu te handelen, de stem doet het nog en ontroert de mensen. Ik zei het van de week nog tegen iemand: ik zuig emoties uit liedjes nu op als een vampier.”

Reken niet op een bodemloos afscheid à la Charles Aznavour, die blééf aankondigen dat hij zou stoppen. „Ik heb genoeg gedaan. Zo is het mooi geweest.”