Drie boeken als ‘monumenten tegen onwetendheid’

Slavernij

Gelijktijdig verschenen drie boeken over de rol van Rotterdam in kolonialisme en slavernij, op initiatief van de gemeente die het tijd vond het verleden onder ogen te zien.
Schilderij Het uitbaggeren van trenzen, circa 1850, uit de collectie van het Rijksmuseum
Schilderij Het uitbaggeren van trenzen, circa 1850, uit de collectie van het Rijksmuseum

Drie dikke boeken liggen er klaar voor wie geïnteresseerd is in het koloniale verleden van Rotterdam, in de betrokkenheid van Rotterdammers bij de slavernij en in de manier waarop dat doorwerkt in de stad van nu. Boeken die er niet waren geweest als de gemeenteraad van Rotterdam zich in 2017 niet in meerderheid had geschaard achter een motie van toenmalig PvdA-raadslid Peggy Wijntuin. Zij wilde dat verleden voor het publiek toegankelijk maken, vanuit de gedachte dat „gedeelde kennis van een verleden vanuit meerdere perspectieven bijdraagt aan hedendaagse en toekomstige inclusiviteit, dat wil zeggen saamhorigheid”.

Rotterdam, wereldhaven in tijden van slavernij

Wijntuin nam de eerste exemplaren van de boeken vorige zaterdag in ontvangst, samen met burgemeester Aboutaleb en wethouder Wijbenga, VVD-wethouder voor integratie en samenleven, wiens partij destijds met Leefbaar Rotterdam tégen de motie stemde. Nu zei Wijbenga dat de Black Lives Matter-beweging hem een spiegel had voorgehouden, dat het „gruwelijke systeem [van slavernij] net zo goed met mij is verbonden, met ons allemaal. Want onze welvaart is deels betaald met bloed, zweet en tranen, met racisme en onderdrukking.”

Reder Anthony van Hoboken, collectie Museum Rotterdam

Slavernij en kolonialisme zouden gewoon thema’s kunnen zijn van neutraal historisch onderzoek, zonder moreel oordeel over wat zich in dat verleden heeft afgespeeld. In de praktijk is het bij zo’n gepolitiseerd onderwerp schipperen gebleken. Enerzijds door critici, die het onderzoek en het instituut dat het uitvoerde (het Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde (KILTV)) ‘te wit’ vonden, anderzijds door tegenstanders die het hele onderzoek overbodig vonden. Zo is historicus en voormalig raadslid van Leefbaar Ronald Sørensen gevraagd bij te dragen aan een van de boeken, zegt KILTV-directeur Gert Oostindie, maar heeft deze dat geweigerd omdat medewerking impliciet steun aan het project zou betekenen.

Dat boek, de bundel Rotterdam, een postkoloniale stad in beweging is door gebrek aan tegengeluid een nogal eenzijdig geheel geworden. Het is het niet-historische deel uit de serie, waarin huidige Rotterdammers aan het woord komen en ‘reflecteren’ – een vaak gebruikte term – op de multiculturele, ‘superdiverse’ stad van vandaag. Waaruit blijkt dat niet iedereen in politieke termen denkt over hoe het er in de stad aan toegaat. In de hiphopscene is diversiteit een vanzelfsprekendheid, met als bekendste voorbeeld Broederliefde. Een van de geïnterviewde artiesten zegt: „Wanneer ik naar uitspraken van Rotterdamse politici over de stad kijk, besef ik dat ik in een heel ander Rotterdam leef dan zij.” In die optiek is er eerder sprake van een oude en conservatieve gevestigde orde die er maar moeite mee heeft zich aan te passen aan een jonge multi-etnische generatie.

In de bundel klinken behalve hoopvolle ook militante stemmen. Zoals de activisten die de z van zwart consequent met een hoofdletter schrijven „als blijk van volledige acceptatie van wie we zijn als nazaten van tot slaaf gemaakten en een streven om anti-Zwart racisme teniet te doen.” Zoals de schrijfster die suggereert dat het huisvestingsbeleid van de gemeente – de omstreden Woonvisie – racistisch is omdat het rijke, hoogopgeleide mensen, „hoogstwaarschijnlijk wit”, voortrekt. Of zoals de onderzoekster die beschrijft hoe haar een geagiteerd gevoel bekruipt bij het aanschouwen van de Politie Steelband, en „Afro-pessimistische” collega’s citeert volgens wie de slavernij nog niet werkelijk geëindigd is en doorleeft in bijvoorbeeld het Zomercarnaval Rotterdam.

Wie meer over de geschiedenis wil weten, vindt meer van zijn gading in de andere twee boeken: Het koloniale verleden van Rotterdam, een bundel van verschillende studies onder redactie van Oostindie, en Rotterdam in slavernij van Alex van Stipriaan, hoogleraar Caraïbische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit. De twee overlappen elkaar gedeeltelijk, maar het laatste richt zich voornamelijk op de Rotterdamse betrokkenheid bij de Atlantische slavenhandel, met name Suriname en Curaçao, terwijl de eerste ook aandacht heeft voor Nederlands-Indië en voor de sporen die de koloniale tijd heeft achtergelaten in de gebouwde omgeving en het erfgoed van de stad.

De slavernijgeschiedenis begint voor Rotterdam al heel vroeg, al in de tijd dat de Republiek nog in de Tachtigjarige Oorlog met Spanje verwikkeld was en Hollandse en Zeeuwse schepen op Portugal voeren. In 1596 kwam er enkele schepen aan in Middelburg met Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen aan boord voor de Portugese slavenhandel. Tot nu hadden historici aangenomen dat het Portugese schepen waren, maar het waren Nederlandse schepen met een Portugese bemanning van de Rotterdamse reder Pieter van der Haghen. Deze eerste gedocumenteerde slavenschepen uit Nederland hadden dus een Rotterdamse connectie.

De Oosthaven, getekend door G. Groenewegen, 1779

Behalve Van der Haghen geldt Johan van der Veeken (of Veken) als grondlegger van de koloniale handel vanuit Rotterdam. Ook hij was reder van schepen die op de ‘slavenkust’ mensen inlaadde voor de verkoop in Brazilië en het Caraïbisch Gebied en met retourlading in Rotterdam terugkeerden. Omdat hij zijn aldus verdiende fortuin uitgaf aan sociale en culturele doelen, is hij in Rotterdam lang geëerd als een groot man, onder meer met een beeltenis boven de ingang van het stadhuis aan de Coolsingel en met de naar hem genoemde penning voor personen die zich verdienstelijk hebben gemaakt voor de bevordering van de economische bedrijvigheid. Nu dit aspect van zijn bedrijvigheid naar boven is gekomen, gaan er stemmen op de penning een andere naam te geven.

Aanpak racisme Rotterdam onvoldoende

De retourlading bestond in belangrijke mate uit suiker die in Rotterdamse raffinaderijen werd bewerkt en op de Nederlandse en Duitse markt verkocht. Later kwam er veel koffie en tabak uit Nederlands-Indië, waar onder andere Van Nelle zijn imperium op bouwde. De koloniale handel werd het fundament van de ‘koopmansstad’ Rotterdam, waarin ook de scheepvaart en de scheepsbouw floreerde. Ook kwamen er financiers en verzekeraars op, die investeerden in plantages en de risicovolle overtochten (ook van slavenschepen en hun lading) afdekten.

Een elite van kooplieden, reders en bankiers – tevens stadsbestuurders – profiteerde het meest, investeerde in elkaars ondernemingen maar zorgde ook voor werk voor de ‘kleinere lieden’ en gaven geld uit aan architectuur (grotendeels verwoest tijdens het bombardement van 1940) en cultuur. De Afrika-handelaar Huibert van Rijckevorsel bijvoorbeeld was halverwege de 19de eeuw mede-oprichter van de liberale NRC.

Zeemagazijn van de VOC, getekend door P. van Leeuwen 1672

Toegespitst op de slavernij: week de rol van Rotterdam daarin wezenlijk af van bijvoorbeeld Amsterdam en Middelburg? Wel in omvang: Rotterdam was goed voor ongeveer een tiende van de Nederlandse slavenhandel, in totaal 600.000 Afrikanen tussen grofweg 1600 en 1830. Maar niet wezenlijk, concludeert Van Stipriaan: „Rotterdam zat tot zijn oren in de slavernij.”

Specifiek voor Rotterdam was de Britse invloed. In de stad woonde een grote en invloedrijke groep Engelse kooplieden, die zich eveneens bezighielden met koloniale handel en slavernij. Omdat in Engeland het verzet tegen de slavernij in de loop van de 19de eeuw sterk toenam, , was dat in Rotterdam sterker voelbaar dan in andere steden. Protestantse en liberale hotemetoten riepen de koning namens hun aparte stromingen op om de slavernij af te schaffen, maar 128 vrouwen uit de betere Rotterdamse kringen zetten hun verschillen opzij en deden een gezamenlijk beroep op het staathoofd, uit naam van „De vrienden der Negers”.

Rotterdam in slavernij heet zo, aldus Van Stipriaan, omdat de stad daarin een rol speelde, maar ook omdat Rotterdammers volgens hem zelf „geketend in een manier van denken” zitten, een mentale erfenis waarin kolonisten en gekoloniseerden nog altijd in wij en zij denken. De motie-Wijntuin was daarop gericht: erkenning dat „de stad gebouwd is op bloed, zweet en tranen van hen die er in verre oorden eeuwen geleden aan meebouwden”, en zo leidend tot wederzijds begrip. Zelf nam ze de boeken zaterdag in ontvangst als „monumenten tegen onwetendheid”.