Opinie

Een beest is nog geen grote geest

Of de carrière van de Haagse kunstenaar die zich aan systematisch seksueel geweld schuldig maakte op de helling moet, is volgens Joyce Roodnat niet waar het om gaat. Het gaat om de gelegenheidsgevers om hem heen.

Joyce Roodnat

In een choquerende reportage onthulde NRC het systematische seksuele geweld van een Haagse kunstenaar. Ik las het en werd miesj van het besef dat deze man naar het schijnt vooral zijn gang kon gaan omdat de kunstwereld de slachtoffers, vaak ook kunstenaars, liet barsten, soms zelfs met hun lot als bewijs voor zijn artistieke kwaliteit.

Is hij een goeie kunstenaar? Geen idee, ik ken zijn werk niet. Moet zijn carrière op de helling? Wellicht, maar daar gaat het niet om. Het gaat om de gelegenheidsgevers om hem heen. Om de docenten, kunsthandelaren en tentoonstellers die het trauma van misbruikte vrouwen afstreepten tegen hun eigen romantische idee van wat een kunstenaar zou zijn. De ‘echte’ kunstenaar gaat ‘nu eenmaal’ over grenzen. Die zoekt ruzie, steelt, vecht. Die vernielt vrouwen.

De zaak van de Haagse kunstenaar doet me denken aan de ontmaskering van Jean-Claude Arnault, een Zweeds cultureel kopstuk die zich tientallen jaren grof vergreep aan kunstenaressen. Niet stiekem maar openlijk. Iedereen zag het, iedereen wist het. Maar niemand deed iets, want in het culturele milieu van Stockholm passeerde deze agressieve artistiekeling voor interessant en bohémien.

In zijn werk kan een kunstenaar zijn fantasie botvieren, markies de Sade zijn, maar in de dagelijkse werkelijkheid is geweld niks anders dan geweld

De gelegenheidsgevers vergissen zich, ze snappen niet wat kunst is. Het is simpel, ik leg het even uit. In zijn werk kan een kunstenaar zijn fantasie botvieren, markies de Sade zijn. Dat kan leiden tot een prachtig vers. Of een schilderij. Of een toneelstuk. Of een roman. Maar in de dagelijkse werkelijkheid is geweld niks anders dan geweld. Daar is het bloed van vrouwen bloed, geen verf. Ook voor de kunstenaar.

Hoe groter geest, hoe groter beest. Het is een cliché, maar in de kunsten zwiept het nog altijd zijn staart. En het vreet vrouwen, want zo’n ‘echte kunstenaar’ loopt te koop met zichzelf, niets anders dan zichzelf, en dat werkt het duidelijkst via minachting voor de andere sekse.

Lees ook: Wat moet dat toch met die ‘Grote Drie’

Ik zag een tv-documentaire over Harry Mulisch waarin een ontroerde herenclub hem herdacht. Niet als vriend, dat zat er niet in, maar als de grote schrijver. Waarom? Omdat hij zijn gevoel in zijn boeken stopte en niet aan vrouwen verspilde. Alleen zijn dochter vond het naar.

Mulisch, W.F. Hermans en Gerard Reve heten de Grote Drie van het Nederlands taalgebied. Hun grootste gemene deler bestaat uit hun minimale, schematische, comateuze vrouwelijke personages. Daar zit het gros van de literaire kritiek niet mee. Maar ik wel. Ik houd het allang op de Grote Eén: hun tijdgenoot Hugo Claus. Hij was een ouwe macho. Maar ook een vat vol gevoel dat hem opjuinde tot meesterlijk geschreven vrouwen in romans, toneel en poëzie van tijdloze kwaliteit waar het grote trio een puntje aan kan zuigen.