Opinie

Deze gewoontes moet de overheid loslaten om laaggeletterdheid tegen te gaan

Lezen Om het leesonderwijs te verbeteren moet de overheid breken met een aantal hardnekkige gewoontes, schrijft .
Beeld André Krüger / EyeEm

Nederlandse jongeren zijn steeds minder goede lezers. Oplossingen voor dit probleem buitelden de afgelopen weken over elkaar heen. Terecht, want het probleem is groot; maar misschien wordt de oplossing vaak in de verkeerde richting gezocht.

Voor een kwart van de Nederlandse jongeren dreigt inmiddels laaggeletterdheid, blijkt uit het internationale PISA-onderzoek van 2019. Grootste probleem blijkt dat ze niet kunnen nadenken over wat ze lezen. Het niveau ligt inmiddels onder het Europees gemiddelde. De onderwijsministers Ingrid van Engelshoven en Arie Slob kondigden meteen een leesoffensief aan, de vaste commissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Tweede Kamer ging op zoek naar oorzaken. In oktober wist Stichting Lezen influencers als Famke Louise te strikken voor ‘De Weddenschap’, een campagne om jongeren uit te dagen drie boeken in zes maanden te lezen. En in dezelfde maand verscheen er een manifest van de Leescoalitie die de oplossing zoekt in het verhogen van het zogeheten ‘leesplezier’. De strijd om het behoud van leesplezier moet, zo liet Jacques Dane van het Nationaal Onderwijsmuseum vervolgens zien, elke generatie voeren.

Ingesleten gewoontes

Het is echter de vraag of de oplossing specifiek gezocht moet worden in het bevorderen van plezier; dat laat zich immers slecht afdwingen door het onderwijs. En het is vooral het onderwijs dat gelijk zou moeten trekken wat in de omgeving van de kinderen zo kan wisselen – de aandacht voor het geschreven woord. Welke ingesleten gewoontes moet de overheid loslaten om verbetering te bereiken?

De eerste gewoonte is dat we de laatste jaren – ook in het manifest – leren lezen te veel afhankelijk maken van het gezin en de familie. Leesvaardigheid mag niet bepaald worden door de kennis en het geld van je ouders. Alle leerlingen hebben recht op onderwijs dat ervoor zorgt dat zij bij het verlaten van de school voldoende leesvaardig zijn. En dat doel halen we vandaag niet. Recent onderzoek van Anne Gielen, hoogleraar economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, toont dat sociale mobiliteit in Nederland achteruit kachelt.

De tweede gewoonte is dat we op het terrein van technisch lezen (klank-lettercombinaties aanleren en die automatiseren) geen absolute en/of ambitieuze norm hanteren. De commissie-Meijerink stelde in 2008 in opdracht van de toenmalige regering een referentiekader op voor technische leesniveaus dat binnenkort gebruikt gaat worden om een minimumniveau (1F) te handhaven. Het gewenste niveau moet echter (veel) hoger liggen om weer boven het Europees gemiddelde uit te kunnen komen.

Lees ook dit opiniestuk: Met ‘leesplezier’ krijg je kinderen niet aan het lezen, zet in op boekenstraf

De derde gewoonte is dat begrijpend lezen als zelfstandig vak wordt gedoceerd, al in het primair onderwijs. In het voortgezet onderwijs is het vooral een zaak van het schoolvak Nederlands, waar veel aandacht uitgaat naar een beperkt aantal leesstrategieën. Om teksten te kunnen begrijpen, is kennis van die strategieën handig maar intussen sneeuwt onder waar leesonderwijs over gaat: nieuwe kennis tot je leren nemen via lezen en leren nadenken, praten en schrijven over wat je leest. Bij alle schoolvakken, niet alleen bij Nederlands. Een historische beschouwing lees je anders dan een technische handleiding. Het lezen moet daarom bij alle vakken aandacht krijgen. Zodat daar ook de taak ligt nieuwe woorden (in context) te leren kennen: beperkte kennis van woorden belemmert nu vaak het tekstbegrip, evenals een tekort aan achtergrondkennis. In het voortgezet onderwijs liggen nu al die taken op het bordje van de leraar Nederlands, die daardoor aan niets anders toekomt, en die tegelijkertijd ook niet al die taken kan behappen.

Kracht van fictie

De vierde gewoonte is dat we begrijpend lezen te weinig bouwen op de kracht van fictie; voor het lezen van romans en verhalen is in het Nederlandse onderwijs steeds minder tijd. Het PISA-onderzoek laat zien dat in (Europese) landen waar tieners veel fictie lezen de leesvaardigheid significant beter is. Ook leesplezier neemt dan overigens toe, zoals Gertrud Cornelisse eerder in NRC betoogde.

Lees ook: ‘Begrijpend lezen’ hoeft helemaal niet leuk te zijn

De vijfde gewoonte is dat het vak Nederlands op de middelbare scholen niet meer over de Nederlandse taal en cultuur gaat. Sinds de laatste grote hervorming van het schoolvak, in de jaren ’90, is het accent meer op alledaagse taalvaardigheid dan op taal en cultuur gelegd. Alledaagse taalvaardigheid brengt je echter heel beperkt in contact met de collectieve, culturele en historische kennis waarop onze samenleving is gebouwd. Dit maakt het lezen van teksten die deze kennis vooronderstellen frustrerend, omdat ze moeilijk te begrijpen zijn.

Met gewoonten breken is lastig, maar niet onmogelijk. Ermee breken geeft de ruimte om niet alleen de gevolgen van oude gewoonten te bestrijden, maar te bouwen aan iets waar leerlingen recht op hebben: onderwijs dat alle schoolverlaters non-fictie en fictieteksten leert begrijpen op hun niveau, om daar nieuwe woordenschat, kennis en (zelf)inzichten aan te ontlenen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.