Reportage

Het Nils Holgerssonperspectief

Van toen naar nu Een wandeling in etappes door Nederland en door de tijd. Aflevering negen: op de Duurswouderheide denk je als vanzelf aan W.F. Hermans’ roman Nooit meer slapen.

Duurswouderheide. Friesland.
Duurswouderheide. Friesland. Foto Eric Brinkhorst

De tuinman is een robot. Maar het duurt een paar seconden voor ik zie dat het donkere dier dat ginds tussen de bomen naast die boerderij rondscharrelt een zelfrijdend grasmaaiertje is. Hond Finn heeft niet zo’n superieure neocortex als zijn baasje en blijft volhouden dat het een prooi is – zo levensecht beweegt het wagentje, alsof het op zoek is naar nootjes of torretjes. Goed dat hij aan de riem zit.

Aan het eind van de laan die tussen eiken en beuken naar de Duurswouderheide leidt, dringt dezelfde vraag zich nog eens op: wat zien dieren eigenlijk? Want zodra we onder het bladerdak uitkomen en het klaphek naar de heide openduwen, is de lucht vol ganzen. In grotere en kleinere V-formaties trekken ze over.

In een lagere luchtlaag vliegen ook groepjes ganzen. Zij hebben het water gezien, voor ganzen een unique selling point van dit stukje veen in het zuidoosten van Friesland: de bijna volmaakt ronde meertjes of vennetjes die hier dan weer ‘dobbe’ en ‘mar’ heten.

In sommige ervan dobberen al soortgenoten. Ik weet te weinig van vogels om te zeggen of het brandganzen of kolganzen of grauwe ganzen zijn. Je hoort ze roepen – eigenlijk is het eerder een paniekerig soort klaxoneren dan gakken. Toch maar even ganzengeluiden gegoogeld: Canadese ganzen, dus.

Het kan niet anders of ze praten hun rondcirkelende collega’s binnen. Die maken nog een laatste lage bocht, draaien hun vleugelkleppen uit en laten hun landingsgestel zakken, om dan in een spoor van druppels op het water neer te strijken.

Dat die meertjes zo mooi rond zijn kun je door je lage standpunt als wandelaar niet zien. Die ganzen wel, maar zij weten weer niet wat ik over die meertjes weet. Tijdens de laatste ijstijd, tot 12.000 jaar geleden, was dit toendra. De gletsjers uit de voorlaatste ijstijd ontbraken toen, maar de bodem was wel het hele jaar bevroren. Waar grondwater door de permafrost omhoog kroop, bevroor het en stuwde de bodem op tot een heuvel met een kern van ijs. Pingo’s heten ze en in het noorden van Canada zijn ze nog te zien. Toen op ‘onze’ breedtegraad het ijs smolt, zegen de pingo’s ineen tot een ronde kuil, een ‘pingoruïne’, die zich vaak met water vulde. Het Uddelermeer op de Veluwe is er ook een.

Op de Duurswouderheide met minstens vijf pingoruïnes (en talloze ander poelen) is het onmogelijk om niet even te denken aan Alfred Issendorf, aankomend geoloog en de tragische hoofdpersoon van W.F. Hermans’ roman Nooit meer slapen (1966). Hij wil een grootse daad stellen door te bewijzen dat de pingo–ruïnes of – eveneens ronde – doodijsgaten in Noord-Noorwegen niet veroorzaakt zijn door smeltend ijs, maar door meteorieten.

Daarvoor heeft hij dan wel eerst het goddelijke gezichtspunt van de luchtfoto’s nodig, waarop je ‘alles honderd maal beter [ziet] dan iemand die op de grond staat, tussen de struiken en tot zijn knieën in het moeras’. Hij reist af zonder, bemachtigt ze later alsnog, maar dan is er niets bijzonders op te zien.

Bomen aan je ene hand, geel gras met water erachter aan je andere; zonder luchtfoto’s of het Nils Holgersson-perspectief van de ganzen is die wandeling een beetje eentonig. Had ik maar een drone! Toch is er één plek waar het oog echt omhoog kan: aan de westrand is een heuvel opgetrokken. Hij heeft geen kern van ijs, maar van afgeplagde heide. Als je erop klimt en over de hei kijkt, zie je Duursma’s Dobbe en het Eendeven in elk geval als ovalen.

We liepen de hei rond; we hadden ook halverwege dwars kunnen doorsteken, maar een opgewonden hond en de schapen die daar lopen lijkt me vandaag geen goede combinatie. Bij de afslag hangt een bordje: dat je lammetjes sowieso met rust moet laten. De mens kan een eenzaam mekkerend dier denken te zien, maar moeder is in de buurt en komt altijd terug.