Recensie

Recensie Muziek

Schoonheid in klank en beeld bij Nederlands Kamerkoor

Actueel In ‘Tranen van Petrus’ trekt het Nederlands Kamerkoor renaissancemadrigalen naar het coronaheden. IJzersterke dans van Marijn Rademaker en zang van koorleden in glazen kokers. De voorstelling roept meer bewondering dan ontroering op.

Danser Marijn Rademaker in ‘Tranen van Petrus’ door Ned. Kamerkoor o.l.v. Peter Dijkstra.
Danser Marijn Rademaker in ‘Tranen van Petrus’ door Ned. Kamerkoor o.l.v. Peter Dijkstra. Foto Hans Gerritsen

Muziektheater óver corona in plaats van geannuleerd door corona – dat is vooralsnog een zeldzaamheid. Maar Tido Visser, directeur van het Nederlands Kamerkoor, werd al tijdens de eerste lockdown belaagd door schrikdromen van zangers achter plexiglas - en zette die nachtmerrie om in de actuele a capella-voorstelling Tranen van Petrus, met het meesterkoorwerk Lagrime di San Pietro (1594) van Orlandi di Lasso als skelet.

Geniale koormuziek naar het nu trekken – dat is één van de dingen die het Ned. Kamerkoor erg goed doet. Na de succesvoorstelling Vergeten (over dementie) is ook het veel abstractere Tranen van Petrus weer een geslaagd experiment van koormuziek-in-theatrale-presentatievorm. Zeven zangers staan in en halve cirkel van plexiglazen kokers verspreid over het toneel, solodanser Marijn Rademaker beweegt zich daartussen als de door schuld geplaagde Christusloochenaar Petrus. Chiaroscuro uitgelicht biedt zijn afgetrainde, albasten danserslijf in kurketrekkerachtige buitelbewegingen een treffend scenisch verlengstuk van Lassus’ madrigalen. Een opgejaagde eenling is hij, vergeefs contact zoekend bij de anderen in hún isolement.

Driemaal worden de renaissanceklanken bruusk geïnterrumpeerd door één van Ligeti’s Nonsense madrigals (1988-1993): vier andere koorzangers vormen hier een pesterig vocaal collectiefje, dat bekketrekkend en likkebaardend – eerst op video, later ook live - Petrus’ onbehagen nog wat eigentijdse voeding geeft.

Tranen van Petrus door Ned. Kamerkoor. Foto Hans Gerritsen

Stemmenweefsels

De voorstelling bezit momenten van grote schoonheid in klank en beeld, en dat het Kamerkoor zo snel is ingehaakt op het isolement dat nu velen plaagt verdient extra lof. Wat wringt is - paradoxaal genoeg – dat waar de voorstelling over gaat: het gemis van nabijheid. Je hoort de zangers - vanuit hun kokers subtiel versterkt waarvoor sporadisch een intonatieprijsje wordt betaald - de polyfone stemmenweefsels ontvouwen. Het verloop is door Peter Dijkstra’s woordelijk betrokken leiding inzet na inzet te volgen: met geestelijke vervoering zit het meer dan goed. Maar voor emotionele ontroering blijft de voorstelling te veel op afstand. Uiteindelijk wil je Lassus’ lijnen liefst in een kerk horen, zonder afstand, zonder kokers. Met spuug dat afspat van medeklinkers in akoestisch mengende prachtmadrigalismen. Toekomstmuziek.