Opinie

Wat moet dat toch met die ‘Grote Drie’

Nederlandse literatuur Vorige eeuw wees een criticus de drie beste schrijvers aan. Mannen natuurlijk. grinnikt erom.
Niels Rode: Juliana Cornelia de Lannoy (1778).
Niels Rode: Juliana Cornelia de Lannoy (1778). Foto Museum de Roos, Geertruidenberg

‘De vergetelheid dreigt.’ Met deze sombere stelling kondigde Nieuwsuur op 18 oktober het item over De Grote Drie schrijvers Gerard Reve, Harry Mulisch en Willem Frederik Hermans aan. Eerst werd smakelijk teruggeblikt op vervlogen tijden waarin de heren elkaar op eloquente wijze afkraakten. Daarna werd met vijf literatuurdeskundigen het droevige lot van hun boeken besproken. Ze verkopen nauwelijks, ontbreken op leeslijsten, worden niet meer gelezen. Door twee van de vijf deskundigen werd als reden geopperd dat tieners en twintigers boeken verkiezen waarin vrouwelijke personages een belangrijke rol spelen.

In reactie op dit item twitterde de literatuurwetenschapper Jeroen Dera dat Mulisch en Hermans wél worden gelezen. Alleen Reve verdwijnt naar de achtergrond, blijkt uit zijn onderzoek uit 2019 onder ruim 1.600 examenkandidaten havo en vwo. Mulisch en Hermans stralen op de ranglijst van meest gelezen boeken. In de top tien staat De Aanslag op één en De donkere kamer van Damokles op zes. Wel met de kanttekening dat scholieren deze boeken niet per se hoog waarderen. Vanwege hun canonieke status zijn ze meestal verplichte kost.

Neemt u het onderzoek eens door, indien u dat nog niet heeft gedaan. Harde cijfers weerleggen schadelijke generalisaties over het literatuuronderwijs en maken leesgedrag en -voorkeuren van leerlingen inzichtelijk. Interessant is bijvoorbeeld dat ze de middeleeuwse roman Karel ende Elegast, nummer drie in de ranglijst meest gelezen boeken, nog veel minder te pruimen vinden dan de werken van Mulisch en Hermans.

De bloedende vrouw

Geamuseerd dacht ik aan die sprekende strofe in dat epische gedicht. De goedmoedige ridder Elegast, ooit te zwaar bestraft en verbannen door keizer Karel de Grote, ligt onder het bed bij de kwaadaardige Eggeric en zijn vrouw (de verder naamloos blijvende zus van Karel). Elegast luistert hun gesprek af, waarin Eggeric zijn vrouw over zijn plan vertelt: de volgende dag zal hij Karel om zeep helpen. Zijn vrouw wordt furieus, waarop Eggeric haar een stomp op haar neus geeft en zij bloedend met haar hoofd over de rand van het bed komt te hangen. Nog verscholen weet Elegast haar bloeddruppels op te vangen – zijn bewijs om keizer Karel voor Eggerics aanval te behoeden.

Ik zag die bloedende vrouw voor me, tussen drie adellijke mannen in strijd om gratie en troon, en mijn gedachten gingen terug naar Reve, Mulisch en Hermans. Diep in de vorige eeuw plaatste literair criticus Kees Fens (1929-2008), decennialang de maat der literatuurbeschouwing, hen gezamenlijk aan het hoofd van het literaire veld.

Lees ook deze analyse van Toef Jaeger: Het is goed dat we van de Grote Drie af zijn

Vanaf deze positie wist het drietal de culturele waarde van de Nederlandse letteren hoog te houden en geen schrijver werd in staat geacht hen op te volgen. „De eerste grote drie zijn ook de laatste geweest”, zei Fens op latere leeftijd in 1996, „met als gevolg dat hun belangrijkste functie, norm en referentiepunt te zijn, niet door anderen wordt vervuld”. Bij het lezen van deze uitspraak herrees de bloedende vrouw voor mijn ogen. Ik zag, nee ik hóórde de stomp op haar naamloze neus en op die van vele andere vrouwen. Van ontelbare vrouwen die romans, toneel of poëzie hebben geschreven en die voor, tijdens en na De Grote Drie de functie van norm en referentiepunt niet hebben bekleed.

U weet vast dat vrouwen zich tegen deze orde verzet hebben.

Complimenten voor haar ‘mannenbrein’

Kent u Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1782)? Volgens literatuurgeschiedenis.nl is zij één van de beroemdste dichteressen van de achttiende eeuw. De Lannoy was een buitengewoon mondige, ambitieuze dame, gesoigneerd met hoge pruik en glanzende parels. Ze trouwde niet, haar leven wijdde ze aan het schrijversbestaan met als doel zowel mannen als vrouwen aan te sporen tot nadenken over sociale patronen als klassenonderscheid en seksediscriminatie. En ze schreef, misschien wel met nog meer gedrevenheid, om te bewijzen dat vrouwen niet onderdeden voor de literaire prestaties van mannen.

Dat is haar goed gelukt. Haar treurspelen en scherpzinnige, met ironie geladen gedichten werden door het literaire circuit (waaronder de dichter Bilderdijk) erkend, al dan niet met complimenten voor haar ‘mannenbrein’. Ze wist zelfs als eerste vrouw toegang te verkrijgen tot het Haagse dichtgenootschap ‘Kunstliefde spaart geen vlijt’. De mannen mochten haar er geen cent voor betalen, maar deze conventie nam ze voor lief. De kans om de weg vrij te maken was belangrijker: met haar toetreding verankerde ze het lidmaatschap als recht van iedere vrouw. Nadat ze een prijsvraag over ‘De ware vereisten voor een dichter’ won en een zilveren medaille ontving, schreef ze: „Triumf, ik ben voldaan, ik zal onsterflijk zijn.”

Lees ook: Het Hele Hoge niveau van damesproza

Ik vermoed dat u haar niet kent. Tenzij u student Nederlands bent of was, of er zeldzame passies op nahoudt.

Maar dat u haar niet kent is logisch. Onze beroemde dichteres uit de 18de eeuw maakt geen deel uit van de Nederlandse canon. Haar poëzie is niet te vinden op de ranglijst veel gelezen maar laag gewaardeerde literatuur en er is nog nooit een televisieprogramma aan haar leven en werk besteed.

De onsterfelijke De Lannoy zwerft in de vergetelheid, het angstaanjagende gebied waar naam en faam mettertijd verdampen.

Waardering

Is dat noodlottig? Dat is afhankelijk van het effect dat ze heeft op volgende generaties. Graag ga ik terug naar de twee literatuurdeskundigen die bij Nieuwsuur opperden dat tieners en twintigers boeken verkiezen waarin vrouwelijke personages een rol spelen. En in het onderzoek van Jeroen Dera staat nóg iets bijzonders: ruim zestienhonderd scholieren waarderen boeken van vrouwelijke auteurs ietsje hoger dan boeken van mannelijke auteurs.

Laat deze empirische kennis tot u doordringen. De vrouw begint een heel – en ik breng dit echt heel voorzichtig – héél minuscuul klein deeltje uit te maken van de norm en het referentiepunt. In deze vooruitgang waart de geest van De Lannoy rond, net als de geesten van al die andere ridderlijk op de neus gestompte vrouwen die niet tot de Grote Drie behoorden en zullen behoren. Hun bijdrages aan onze culturele waarden zijn niet zichtbaar, ze zijn voelbaar. Als dat de vergetelheid is, mogen De Grote Drie er trots op zijn daar te belanden.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.