‘Je mag wel meepraten, maar niet meedoen’

Stadmakerscongres In Rotterdam mag je je al snel stadmaker noemen. Volgende week is voor de zevende keer het Stadmakerscongres. Dat stadmaken, hoe goed lukt dat in de praktijk?

Foto Frank Hanswijk

In het kielzog van de participatiemaatschappij ontstond de term ‘stadmaker’: iemand die werkt aan de stad, of dat nu een ambtenaar, architect, ontwerper, ontwikkelaar of burger is. Vrijdag 6 november organiseert AIR (Architectuur Instituut Rotterdam) voor de zevende keer het Stadmakerscongres. Dat is dé plek waar verschillende stadmakers nadenken over stedelijke opgaven en van elkaar leren. Maar hoe vergaat het stadmakende burgers in de praktijk? Een recent, zeer kritisch rapport van de Rekenkamer concludeert namelijk dat de gemeente te weinig doet om burgerinitiatieven verder te helpen. Initiatieven komen niet verder omdat de gemeente haar beleid niet wil wijzigen en de burgers ervaren belemmeringen in de ondersteuning. Burgerinitiatieven zijn voor de gemeente een doel op zich, zonder dat hun waarde erkend wordt, aldus het rapport.

Bas van der Pol, directeur AIR: „Rotterdam kent een lange geschiedenis van stadmaken, van de wederopbouw, De Kuip tot de stadsvernieuwing. Een belangrijk doel van het congres is om de samenwerking aan stedelijke opgaven verder te brengen. De agenda is altijd om te leren hoe we de stad meer een gezamenlijke prestatie van mensen kunnen maken. De kwaliteit van de openbare ruimte was daarin een belangrijk agendapunt, omdat Rotterdam daarin echt achterliep. Je ziet nu dat daar stappen in zijn gemaakt. De overtuiging dat Rotterdam er meer voor de mens moest zijn en minder voor de auto.”

Hoe ‘stadsvernieling’ een slechte naam kreeg in Rotterdam

Voor Nina Cranen, werkzaam bij de gebiedsontwikkeling Hart van Zuid, is het congres een belangrijk podium. „Als er inhoudelijke raakvlakken zijn, is dit wel de creatieve informele setting waarin je elkaar ontmoet en er energie loskomt. Tijdens een van de edities vertelden twee theatermakers verhalen uit de wijk, om op die manier uit te leggen wat de nut en noodzaak van de gebiedsontwikkeling is. Dat is echt anders dan als ik met mijn plattegrond en artist impressions vertel hoe mooi we het allemaal gaan maken.”

Een andere inzet van het congres is om de ‘cultuur’ van het samen aan de stad werken opnieuw te laden, zegt Van der Pol. „Die gedachte, dat je het samen doet, wordt steeds meer gevoeld. Of dat in de praktijk ook overal een succes is, dat is een tweede.” Toch houdt die vraag hem wel bezig. „Voor de vitaliteit van het congres en het stadmaken is het belangrijk dat burgerinitiatieven in de praktijk echt verder gebracht kunnen worden.”

Daar heeft Piet Vollaard van Stad in de Maak, die experimenteren met nieuwe woon-werkvormen, ernstige twijfels over. „Tien jaar geleden kon je nog denken dat het de goede kant opging in de stad, omdat we begonnen met luisteren naar elkaar. Buiten het Stadmakerscongres om is dat echter teleurstellend weinig gebeurd.”

Amateurs

Vollaard is met name kritisch op het gebrek aan fysieke ruimte die er voor initiatieven wordt geboden. „De overheid heeft tien jaar geleden de participerende burger uitgevonden zonder te beseffen wat dat eigenlijk betekent. Dus de burgers worden aangemoedigd om met initiatieven te komen, maar als ze het heft in eigen handen nemen schiet de gemeente in een kramp: ‘Oh jee, hier zijn amateurs die ons professionals komen vertellen hoe het beter kan.’”

Wat hem betreft zijn er twee soorten stadmakers: „De overheid die zijn gang gaat en een heleboel kleinere en grotere initiatieven die met meer of minder succes aan de overheid moeten trekken om iets voor elkaar te krijgen. En één keer per jaar komen we samen om net te doen of er niks aan de hand is. Daarom begin ik me steeds ongemakkelijker bij het Stadmakerscongres te voelen.”

Ook maatschappelijk ontwerper Robbert de Vrieze constateert dat het stadmaken tegen een grens aanloopt. „De grens van het veilige hekje om de bestaande praktijk heen. Stadmaken moet nu echt gevolgen hebben voor het beleid en de werkprocessen in de stad. Daar zijn – met bijzonder veel moeite – wel enkele instrumenten voor ontwikkeld, zoals Right 2 Challenge en de ruimte voor wooncoöperaties. Helaas vormen die de uitzondering en worden ze onvoldoende benut.”

Lokale logica

Net als Vollaard noemt hij de afdeling vastgoed van Stadsontwikkeling als probleem: „een notoir obstakel”. „Aan de ene kant investeert de gemeente bijvoorbeeld in het proces om Bospolder-Tussendijken veerkrachtig te maken, terwijl aan de andere kant die waarde wordt afgebroken door de verkoop van het pand van het Zelfregiehuis.” Het buurtinitiatief, dat bewoners helpt met problemen, werd deze zomer ruw opgeschrikt toen na jaren van onderhandelingen het pand ineens op Funda stond. Dat heeft bij de politiek wel wat losgemaakt, stelt De Vrieze. „Dertig panden maatschappelijk vastgoed die op de verkooplijst stonden zijn daaraf gehaald en worden heroverwogen. In het geval van het Zelfregiehuis is ruiterlijk erkend dat het niet goed is gegaan en wordt actief meegezocht naar een nieuwe locatie.”

Of er beweging inzit? „Dat zou ik zou niet willen zeggen. Er zijn positieve voorbeelden, die onder dwang van publieke opinie, publiciteit en moties vanuit de gemeenteraad worden afgedwongen. Als je dat netwerk niet hebt, vis je gewoon achter het net.” Volgens hem ligt de focus nog te veel op participatie. „We zijn dit aan het doen, wat vind je ervan, welke kleur moet het worden en mogen we een foto maken? Waar het naartoe zou moeten is werken vanuit lokale context in samenhang met stedelijke ambities. Investeren vanuit lokale logica. Dat lukt in Bospolder-Tussendijken goed, eerst via de stadsmarinier en nu via het programma BOTU2028.”

Tijdens de eerste lockdown ontstond er het initiatief Delfshaven Helpt. „Binnen drie dagen hadden ze een website, vrijwilligers en een telefoonnummer opgetuigd en waren ze voedselpakketten aan het maken, terwijl de aanbestede welzijnsorganisaties en de gemeente nog dicht waren. Dat is de kracht van zo’n lokaal netwerk.”

Zelf is hij actief bij een pilot in de wijk Cool. „Daar komen vijf torens bij die het bewonersaantal bijna verdubbelen. Samen met ambtenaren hebben we met bewoners en marktpartijen een lokale omgevingsvisie ontwikkeld. We zijn op zoek gegaan naar de gedeelde waarden van het gebied, waar je als ontwikkelaar en bewoners naartoe kunt werken. Het idee is om de verschillende geluiden aan de voorkant in kaart te brengen, zodat je niet achteraf iets kwijt bent omdat het vastgoed ineens te koop staat.”

Een aantal weken geleden organiseerde (onder meer) Piet Vollaard een ‘Slopera’, in huizen in de Almondestraat die op de slooplijst staan. Vollaard: „Wethouder Bas Kurvers was toen aanwezig bij een stadsgesprek. Hij noemde een pilot in Delfshaven, waarbij een ambtenaar wijkinitiatieven aan leegstaand vastgoed koppelt, als voorbeeld van dat ze het toch eigenlijk heel goed doen. Toen kwam er een vraag uit de zaal, of als het bevalt, ze het ook in andere wijken gaan doen. Daarop was het antwoord dat het toch allemaal van zijn begroting af moet en hij niet wist of daar wel geld voor is.”

De begroting van de afdeling vastgoed lijkt een belangrijk obstakel te zijn voor stadmakende burgers. Zo zorgt de regel dat maatschappelijk vastgoed naar de hoogste bieder gaat voor veel frustratie. De Vrieze: „In het geval van de verkoop van het Zelfregiehuis komt het nu in handen van een tandarts. De maatschappelijke waarde gaat nu naar zijn pensioenvoorziening.”

Schaal

Volgens Van der Pol is het zaak om juist een ongelijk speelveld te creëren. „Bij ruimtelijke ontwikkeling gaat het altijd over gelijke kansen. Maar dat is eigenlijk niet rechtvaardig. Als je wilt dat een burgerinitiatief evenveel kans heeft als een marktpartij zul je ze ongelijke startposities moeten geven, een voorsprong in zeker zin. Als je daar de juiste sleutel voor vindt, creëer je de mogelijkheid voor initiatieven om iets tot stand te brengen. Daar zitten we nu middenin. Stadslabs als in het Hoogkwartier en de successen van BlueCity en het Vierhavenblok laten zien dat het zeker kan in Rotterdam. Wil de stad een volgende stap maken, dan is het ook belangrijk dat je als overheid daarin keuzes maakt en durft te staan voor de vernieuwing die kleinschalige initiatieven teweeg kunnen brengen, zoals dat in Zurich met woongenootschappen is gebeurd.”

Collega-AIR-directeur Barbara Luns: „Het gaat ook over schaal. De overheid is groot, vele marktpartijen ook en burgers moeten samenwerken om iets groter te worden. Het is lastig om je daartoe te verhouden. Dit speelt niet alleen in Rotterdam, ook landelijk en wereldwijd. Ieder jaar voeren we die discussie ook op het congres.”

Volgens Vollaard lukt dat nauwelijks. „Het is natuurlijk meer kermis en een Poolse landdag dan een plek voor debat. Dat is symbolisch voor hoe het in de stad gaat. Er is ontzettend veel energie, waanzinnig veel projecten, maar er komt niet echt een dialoog tot stand met de gemeente, laat staan dat je samen optrekt. Je mag wel meepraten, maar niet meedoen.”

Of het Stadmakercongres genoeg ruimte voor kritiek biedt? AIR-directeur Van der Pol: „Piet Vollaard is er ieder jaar.”