Analyse

Het is goed dat we van de Grote Drie af zijn

De Grote Drie De verering van Harry Mulisch rondom zijn tiende sterfdag op 30 oktober leidt her en der tot heimwee naar de Grote Drie – Mulisch, Hermans en Reve. Heimwee leidt tot stilstand, mythologisering tot verabsolutering.

Illustratie: Paul van der Steen

Ze zijn even terug van weggeweest: de Grote Drie. De tiende sterfdag van Harry Mulisch mag weliswaar de aanleiding zijn, de verhalen van de laatste weken over het drietal gaan niet zozeer over hun literaire werk, maar over een algemeen gemis aan grote gebaren en dat de positie van de schrijver vandaag de dag anders is dan in de jaren zeventig, toen het concept van de Grote Drie werd geïntroduceerd. Toevallig kwam er niet zo lang geleden ook nog een rapport uit over de almaar groeiende ontlezing en dan is de koppeling snel gemaakt: vroeger, toen de grote drie er nog waren, was alles beter, en vooral de Nederlandse literatuur.

In De Groene Amsterdammer schreef Opheffer (Theodor Holman) dat de drie indertijd ‘een handvat gaven voor een levenshouding die echt van ons was’. Hij constateert in zijn column dat de drie niet meer gelezen worden en sluit af: ‘Ik voel jammer.’ Vergelijkbare gevoelens verwoordde Onno Blom in de Volkskrant: ‘Ik heb heimwee naar een tijd waarin schrijvers een hele denkwereld met zich meetorsten op hun nek zoals Atlas de aarde.’ Blom heeft heimwee naar ‘schrijvers die over een mythische persoonlijkheid beschikten, wier biografie je meeleefde als je las’. En hij vraagt zich vervolgens af: ‘Waar is die tijd gebleven?’ Het antwoord is vrij eenvoudig: als die tijd er al daadwerkelijk ooit was, dan mogen we de goden danken dat die achter de rug is.

Hermans en Mulisch worden nog steeds gelezen, anders dan vaak beweerd wordt, en zelfs op middelbare scholen – Reve inderdaad minder. Hun werk wordt ook nog in mooie edities uitgegeven, zoals de Volledige Werken van W.F. Hermans. Vorige maand verscheen het twintigste deel, waarin het ongebundelde werk tussen 1934 en 1952 is verzameld. En dan blijkt dat je ook van de Grote Drie niet alles hoeft te koesteren. Er staan bijvoorbeeld brieven in die Hermans stuurde als redacteur van de schoolkrant. In een ervan reageert hij op een ingezonden brief van de ‘Gymnasiale Letterkundige Vereniging voor Meisjes’, die zich ook met de schoolkrant wil bemoeien. Hij zaagt de vrouwen tot de enkels af, fileert hun voorstel om deel uit te maken van de redactie en legt uit waarom de brief ongehoord dom is. Ouderwets seksisme gekoppeld aan schaamteloos zelfvertrouwen, dat is ook iets wat de Drie met elkaar verbond.

Geweigerd debuut

Opvallend is ook hoe consistent Hermans al vroeg is in zijn literaire voor- en afkeuren (naoorlogse epigonen of schrijvers van een ‘verzetsroman’).

Natuurlijk is het mooi dat dit twintigste deel er is, het leert je de schrijver nog beter kennen. Ook bewijst het dat er bepaald geen sprake van erosie is wat zijn reputatie aangaat als dit soort teksten in een kloek gedundrukt en met leeslint gebonden boek worden uitgegeven.

Er staan zeker ook interessante essays en verhalen in. Het waardevolst is misschien het korte verhaal ‘En toch… was de machine goed’, dat in 1940 werd gepubliceerd. Het laat zich lezen als een vroege voorstudie van ‘Atonale’ (opgenomen in Moedwil en misverstand), een van de mooiste verhalen uit de Nederlandse literatuur, dat hij twee jaar later zou afronden.

Het ongepubliceerde werk opent trouwens met een verhaaltje dat Hermans voor de schoolkrant schreef in 1934, hij was toen twaalf jaar. ‘Midwinterblazen’ heet het en daarin vertelt Hermans een braaf verhaaltje over iemand die in de vakantie uit logeren is geweest. Fraai is de opmerkzame zin ‘De boerderij stond eenzaam als een curiositeit in een der stille buitenwijken der stad’. Dat Hermans zelf die vleesgeworden boerderij zou worden, kon hij toen nog niet weten.

Om de Drie onderling te vergelijken: het opstel van Hermans blijft beter overeind dan het verhaaltje dat Harry Mulisch opstuurde voor een schrijfwedstrijd toen hij tien was. ‘Hoe Jan genezen werd!!’ heet het. Hij stuurde het naar het kinderweekblad Doe mee, maar kreeg het retour omdat het niet goed genoeg bevonden werd. Dat lezers het toch te zien kregen is te danken aan Barbarber (het leukste tijdschrift dat Nederland ooit rijk was, aldus Simon Carmiggelt, en gelijk had-ie) dat het verhaal in mei 1965 plaatste onder de titel ‘Geweigerd debuut’. Het moralistische verhaaltje heeft weliswaar een voortreffelijke beginzin, maar daarna ontspoort het snel:

‘Jan was een aardige jongen maar hij had een groot gebrek, dat was dat hij altijd zo haastig was. Jan had een mooie trein; die ging met stroom. Maar die trein had ook een gebrek en, wat juist zo toevallig is, ook aan haast. Want als Jan haastig zijn trein opgebouwd had en de trein inschakelde dan reesde hij over de rails; en dan ging hij elk ogenblik haast uit de rails.’

Het is weliswaar mooi om te lezen dat zelfs de tienjarige Mulisch al met de rol van het toeval bezig was, maar Onno Blom merkt terecht op in zijn recent verschenen boek De wondergrijsaard – een schets over het latere leven van Harry Mulisch en zijn sterfbed – dat Mulisch’ zijn beste werk op wat rijpere leeftijd zou schrijven.

De Toppers

Het is natuurlijk ook helemaal niet reëel om te verwachten dat hele oeuvres gelezen blijven worden, en dat is ook nergens voor nodig. Je kunt oeverloos discussiëren over welke boeken de moeite waard blijven – en dat gebeurt dan ook met groot enthousiasme – maar dat de grote schrijvers uit het verleden niet langer de toon in het heden bepalen, is niet iets om te betreuren. Het is al een hele prestatie dat diverse boeken van de drie nog steeds relevant zijn. Maar een literatuur die blijft hangen in de klassiekers van weleer, loopt het risico irrelevant te worden. En dat is het gevaar dat je loopt wanneer je de ‘Grote Drie’ gaat koesteren als een standaard die bepalend zou moeten zijn voor onze tijd.

De term ‘De Grote Drie’ kwam van Kees Fens – die hiermee wilde laten zien dat schrijvers zich niet meer verzamelden in stromingen, maar sterk individualistisch te werk gingen. Het idee van de Grote Drie werd al snel gekaapt als commercieel concept, want daar is de notie van een ‘heilige drie-eenheid’ natuurlijk zeer geschikt voor (niet toevallig dat Fens katholiek was).

Van de drie tenoren tot en met De Toppers: alles wat goed was, kwam in drieën. En zo ontstaan een heiligverklaring en een verabsolutering die relativering onmogelijk maken en vooral: die een sterk uitsluitend effect hadden. Want ondanks dat Hermans, Mulisch en Reve drie individuen waren die elkaar stevig beconcurreerden, hadden de Grote Drie onderling natuurlijk meer overeenkomsten dan verschillen.

Wat nu meer opvalt dan toen: alle drie wit, man, en met een wereldbeeld dat sterk is gekleurd door de Tweede Wereldoorlog. Maar ook wat hun literatuuropvatting betreft: Reve had zijn ‘zinloos feit’, Mulisch het toeval en bij W.F. Hermans mocht geen mus van het dak vallen zonder dat het betekenis had. Romans waarin het toeval alleen maar toevallig was of waarin mussen zomaar doodgingen, werden weggezet als slordig en inferieur.

En zo zijn enkele generaties critici en schrijvers opgegroeid met het idee dat goede literatuur voldoet aan de poëtica van de Grote Drie, waarin alles samenhang moet hebben. Het was ook de tijd van ‘close reading’ op de universiteit waarbij altijd gezocht werd naar de interne coherentie van een literair werk. Deze uit de Angelsaksische wereld overgenomen methode sloot perfect aan bij de boeken van de Grote Drie. De mus is inmiddels een bedreigde diersoort, maar de obsessieve aandacht voor de eventuele redenen van diens dood heeft de literatuurbeschouwing lang gekleurd.

Witte mannen

Een ander gevolg is de uitsluiting van andere perspectieven – en dat valt inmiddels wél op. Ook in de tijd van het drietal werd al weleens opgemerkt dat ook het werk van Hella S. Haasse van een zekere grootheid getuigde (al werd het ontbreken van Wolkers vaker opgemerkt), maar inmiddels valt wel pijnlijk op dat de enorme complimenten die Mulisch kreeg omdat hij zich zo goed had ingeleefd in twee vrouwen (voor zijn roman Twee vrouwen), merkwaardig zijn als je bedenkt hoe vanzelfsprekend het werd gevonden dat Haasse boeken schreef met mannelijke hoofdpersonages.

De onaantastbaarheid van de Grote Drie heeft eraan bijgedragen dat vrouwelijke schrijvers minder serieus werden genomen. En hoe hardnekkig dat beeld is, bleek nog niet zo lang geleden uit het proefschrift van literatuurwetenschapper Corina Koolen, die in Dit is geen vrouwenboek constateerde dat we nog steeds vastzitten aan de conventie dat romans van mannen hoger gewaardeerd worden dan die van vrouwen, vooral als de lezer weet of hij/zij met een mannelijke of vrouwelijke schrijver te maken heeft. De Grote Drie zijn er misschien niet de oorzaak van (de term ‘damesroman’ stamt uit de jaren twintig van de vorige eeuw), maar wel een symptoom.

Er is nog wel gezocht naar opvolgers van de Grote Drie in een nieuwe generatie – tenslotte is het ook mogelijk geweest om in de zang-Toppers Gerard Joling te vervangen door Jeroen van der Boom – maar het werd een steeds vrijblijvender literair gezelschapsspel: Kellendonk, A.F.Th. van der Heijden, Grunberg: roept u maar. Maar deze schrijvers werden niet standvastig genoeg in hun wereldbeeld bevonden om tot maatstaf te worden.

Of dat nu waar is of niet, het is niet ‘jammer’ en het is onzinnig om er ‘heimwee’ naar te hebben. Het is namelijk vooral een teken dat de Nederlandse literatuur langzaam maar zeker minder klein is gaan denken. Er is steeds meer ruimte voor andere perspectieven en de boekentafels in de boekhandels worden steeds minder gedomineerd door witte mannen die weten wat het beste is voor de wereld. Literatuur kan niet zonder een zekere mate van ego en ijdelheid – maar dat de internationaal succesvolste Nederlandse roman van dit moment is geschreven door een debutant die oog heeft voor koeien in plaats van mussen (Marieke Lucas Rijneveld), is een prima reden om het ideaal van de ‘Grote Drie’ in de verste hoek van de bovenste plank van een stevige boekenkast te zetten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.