Opinie

Met 350 miljard aan landbouwsubsidies mist EU groene kans

Boerensteun

Commentaar

Vegetarische worsten hoeven geen vegabuizen te heten. Je zou haast denken dat de traditionele boerensector vorige week een belangrijke slag verloor. Maar intussen werden in Brussel veel ingrijpendere besluiten genomen. Ze gingen over de circa 350 miljard euro die Europa de komende zeven jaar zal uitgeven aan landbouwsubsidies. Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid is van oudsher de grootste post op de Europese begroting.

Traditioneel gaat het gros van dat geld naar directe inkomensteun voor boeren. Maar Brussel is het afgelopen jaar snel groener gekleurd. Een nieuwe Europese Commissie trad aan die als de bliksem werk wil maken van een klimaatneutraal Europa. Er is al een landbouwstrategie (‘Van boer tot bord’) die daarbij aansluit. Minder pesticiden, minder kunstmest, meer biologisch boeren, meer bomen en meer natuur.

Maar aan de wijze waarop de miljarden aan landbouwsubsidies worden uitgekeerd, zal tot en met 2027 weinig veranderen. De Europese Commissie hield zelf vast aan haar voorstel dat al dateerde uit 2018. Het bleek onhaalbaar om de nieuwe groene plannen nog te verwerken.

Lees ook: Leidt het landbouwakkoord tot vergroening of greenwashing?

Vorige week namen zowel het Europees Parlement als de landbouwministers van de lidstaten al even conservatieve posities in. Die twee akkoorden verschillen op details van elkaar, maar de gemene deler is: nog steeds wordt industrieel boeren beloond.

Wel worden aan een beperkt deel van de Europese landbouwsubsidies (de ‘ecoregelingen’) voortaan duurzaamheidseisen gesteld. Maar die eisen zijn door Brussel niet strak gedefinieerd: dat is aan de lidstaten. Tot er volgend jaar een definitief akkoord ligt tussen Commissie, Parlement en lidstaten verwacht niemand nog spektakel.

De akkoorden over de landbouwsubsidies zijn een teleurstellend resultaat voor een sector die, als geen andere, het uitzicht bepaalt in Europa. Steeds minder grutto’s en grote pimpernel. Meer eenvormige graslanden en akkers, waar vaak voer groeit voor vee dat tot vleesbuizen verwerkt wordt.

Weliswaar past het conservatisme bij de belangen van Oost- en Zuid-Europese landen waar de landbouw nog altijd een grote werkgever is. En overal vormen boeren een vocaal electoraat – dat wellicht nog meer gehoor vindt nu Europese zelfvoorziening door de coronacrisis hoog op de agenda staat. Maar intussen glijdt het Europese landschap af. De landbouw draagt 1 procent bij aan de Europese economie, en 10 procent aan de uitstoot van broeikasgassen.

Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid zou kunnen bijdragen aan een omslag. Vorig jaar hoopte minister Carola Schouten (Landbouw, ChristenUnie) daar nog vurig op. „De aarde kan de last van de huidige productiemethoden en consumentengedrag simpelweg niet langer dragen.” Vorige week bleek ze toch „tevreden” met het Europese onderhandelingsresultaat.

Nu Brussel een belangrijke kans heeft laten liggen om de leefomgeving en biodiversiteit in Europa te verbeteren, zal dat via een andere route moeten gebeuren. Door bestaande Europese natuurwetgeving (zoals Natura2000) hoogst serieus te nemen. Door de Van boer tot bord-strategie degelijk en spoedig in nieuwe wetten om te zetten. En door, in Nederland, de ecoregelingen streng in te vullen. De zuinige omgang van dit kabinet met de stikstofuitstoot van boerenbedrijven biedt weinig vertrouwen dat het vanaf nu een leidende rol zal nemen. Dan zal de omslag niet plaatsvinden waarnaar de minister ooit zei te verlangen.