Opinie

Vijf rookworsten voor Jos Stelling

Filmrecensent Coen van Zwol las een terugblik op het vak van een oud-collega, Pieter van Lierop. Diens herinneringen aan stekeligheden en kinnesinne in de Nederlandse filmwereld zijn erg leuk.

Coen van Zwol

In de VS woedde lang een vete tussen aanhangers van de filmcritici Pauline Kael en Andrew Sarris. Bij persvoorstellingen zat de ene factie voorin de zaal en de andere achterin. Dat weerspiegelde hun filosofie: je door een film laten overspoelen of juist academische distantie bewaren.

In het boek Wild West, Boedapest en de rest kijkt filmjournalist in ruste Pieter van Lierop terug op zijn loopbaan. Het boek is mede uitgegeven door de KNF, de Kring van Nederlandse Filmjournalisten, die Van Lierop (GPD, persbureau voor regionale kranten) ooit met Peter van Bueren (1942-2020, de Volkskrant) en Hans Beerekamp (NRC) oprichtte. Die twee cultiveerden eveneens een levenslange vete, die volgens Van Lierop begon toen de één de ander ‘katholiek’ noemde, zo’n vreselijke belediging dat zelfs in het zicht van de hemelpoort een verzoening uitbleef.

Filmkritiek leek voor dit duo een veel gewichtiger zaak dan voor Van Lierop, die dan weer gevoel voor humor heeft. Al koestert ook hij zijn wrok: Van Bueren schildert hij af als matennaaier en querulant, Beerekamp als streber die denkt dat over een eeuw wetenschappers filmkritieken naast elkaar zullen leggen om dan te concluderen: „Die jongen van NRC heeft het vaakst gelijk. Die geven wij een 8,5.”

Van Lierop wilde lezers informeren: wat behelst de film en is dat een tientje waard?

Zelf zag hij recensies meer als consumentenvoorlichting: lezers informeren wat de film behelst en of dat wel een tientje waard is. In het volle besef dat de lezer zijn eigen plan trekt. Als Van Lierop de sprankelende dialogen van de nieuwe Éric Rohmer roemde, dacht de lezer wellicht: aha, zo’n Franse ouwehoerfilm. Grapte hij dat de opmerkelijkste acteerprestatie van Emmanuelle 3 het vaginaal inhaleren van een sigaret betrof – „wél heel gezond” – dan spoedde diezelfde lezer zich mogelijk „met een graai naar zijn jas in volle draf naar de voordeur”.

Een bescheiden taakopvatting, maar inderdaad: wie leest er nou oude filmrecensies? Ik niet; wel oude achtergrondartikelen, essays, profielen, interviews en necrologieën. Dat soort stukken drukt Van Lierop dan ook af in Wild West, Boedapest: een relativerend essay over Sergio Leone en de spaghettiwestern („voor 90 procent pure rotzooi”), gesprekken met Robert De Niro, James Stewart of Michael Douglas.

Nog leuker zijn Van Lierops herinneringen aan stekeligheden en kinnesinne in de Nederlandse filmwereld. Zo had Van Lierop een knipperlichtrelatie met filmmaker Jos Stelling. Diens bewierookte debuut Mariken van Nieumeghen, een evocatie van de Middeleeuwen, oogde volgens Van Lierop in 1974 vooral authentiek omdat Stelling „bejaarden hun gebitten had ontnomen en invaliden hun kunstledematen” om ze daarna in bemodderde juten zakken te takelen. Toch vertoonde Cannes Mariken in competitie, waar de film zo bruut werd neergesabeld dat het festival 38 jaar lang geen Nederlandse films meer selecteerde. Over Stellings latere films oordeelde Van Lierop milder, dus raakten ze bevriend – tot hij er weer één kraakte. Onlangs zag hij de oude filmmaker verstrooid door de Albert Heijn dwalen en stak vijf rookworsten in diens karretje, om van afstand toe te kijken hoe Stelling zich bij de kassa over deze onverwachtse oogst verbaasde. Dat lijkt me de correcte distantie tussen criticus en cineast.

Coen van Zwol is filmrecensent.