In ‘La última primavera’ spelen leden van de familie Gabarre Mendoza een gefictionaliseerde versie van zichzelf.

Interview

Regisseur Lamberti vroeg deze familie om zichzelf te spelen: ‘De schaamte die ik zelf heb, ontbreekt volledig bij hen’

Interview | Isabel Lamberti Regisseur Lamberti werd aangetrokken door de schaamteloosheid van de familie Gabarre Mendoza, die in sloppenwijk La Cañada Real in Madrid woont. „Zodra ik hen kende, kon ik me vrij bewegen door de wijk.”

Een exotisch decor mocht de Madrileense sloppenwijk La Cañada Real niet worden in haar speelfilm La última primavera. Dus besliste Isabel Lamberti (33) in haar debuut geen enkel shot op te nemen waarin je vanuit de lucht kijkt naar de 14,4 kilometer lange stroom illegale krotwoningen. Lamberti: „In ieder beeld van de wijk zit ook een personage.” Meestal zijn dat leden van de familie Gabarre Mendoza, die centraal staat in de film. Ze horen al jaren dat hun buurt wordt ontruimd, maar een exacte datum weten ze niet. Lamberti vroeg de familieleden een gefictionaliseerde versie van zichzelf te spelen in een script over het laatste jaar in hun zelfgebouwde huisje. Haar opmerkelijke mix van fictie en non-fictie won de New Directors Award op het filmfestival van San Sebastían en werd geselecteerd voor een zijprogramma van Cannes.

De Nederlands-Spaanse Lamberti leerde de familie kennen toen ze in 2014 met de twee zoontjes haar korte afstudeerfilm Volando Voy draaide. Sindsdien ging ze als ze haar eigen familie in Madrid bezocht ook bij hen langs. „Dan praatten we over wat er op dat moment speelde in hun leven. Al die gesprekken resulteerden in een script dat bestaat uit gebeurtenissen die hen echt zijn overkomen of die hen hadden kunnen overkomen.”

Mozaïekvertelling

We zien de familieleden een verjaardag vieren, schroot rapen, betrokken raken bij diefstal, maar ook een brief krijgen dat ze hun huis moeten verlaten. Lamberti: „Een rode draad zijn de veranderingen in hun leven omdat zij en hun buren hun huis uit moeten. Zo is er een kleinzoon die zijn beste vriendje verliest door een verhuizing, of een schoondochter die een conflict heeft met haar moeder omdat ze in de wijk wil wonen.”

Door de vele personages voelt de film als een mozaïekvertelling. De regisseur ontdekte tijdens het schrijven dat focussen op één familielid niet werkte. „Dan zou je fictieve ontwikkelingen en psychologisering moeten toevoegen. Dat werkte niet omdat deze mensen geen professionele acteurs zijn.” Het script verfilmen met acteurs was geen optie. „Ik ben opgeleid tot documentairemaker, dus niet gewend om te werken met acteurs. Bovendien denk ik dat het niet zou kloppen als je professionals in deze setting plaatst. Als een situatie er niet natuurlijk uitzag tijden het repeteren, bleek vaak dat ik iets aan het script had toegevoegd wat voor de familie niet logisch voelde. Vervolgens overlegden we hoe ze echt zouden reageren.”

In de film zijn de Gabarre Mendoza’s niet happig om te verhuizen, hoewel de appartementen die de overheid hun aanbiedt, er best comfortabel uitzien. Hun eigen huis heeft geen stromend water en elektriciteit wordt via angstaanjagend knetterende kabels afgetapt. Lamberti: „Ze zien de voordelen, maar vinden vooral de onzekerheid verschrikkelijk. Zoals getoond krijgen mensen in deze buurt twee dagen op voorhand een sleuteltje toegestuurd en horen dan waar ze heen moeten. Ook zou de familie huur moeten betalen en kunnen ze hun eigen levensstijl niet meer behouden. In La Cañada Real wonen ze met verschillende generaties in één zelfgebouwd huis, als ze lawaai willen maken, doen ze dat gewoon en als ze een feestje geven, kunnen ze de hele buurt uitnodigen. Bovendien verdienen ze hun geld met schroot rapen. Spullen die ze niet meteen nodig hebben, bewaren ze bij hun huis. Doe dat maar eens in een appartementje op acht hoog.” Ondertussen is de familie trouwens wel verhuisd.

Drugssupermarkt

De Gabarre Mendoza’s behoren, net als een groot deel van de bewoners van La Cañada Real, tot wat in Spanje gitanos wordt genoemd, Spaanse Roma. Maar Kusturica-achtige elementen vermeed Lamberti bewust: „Feesten zien er tegenwoordig niet uit zoals in zijn films, met handklappende vrouwen, maar zijn in zaaltjes met blauwe TL-lampen.”

Naast gitanos wonen er in de sloppenwijk volgens de regisseur Marrokaanse immigranten en Madrilenen die de hoge huren in de Spaanse hoofdstad niet meer konden betalen. En dan is er nog de beruchte sector die bekend staat als „een drugssupermarkt”. Hoe slaagde ze er als buitenstaander in haar weg te vinden in deze omgeving? Lamberti: „Na veel mailen heeft een sociaal werker mij in 2014 de wijk ingenomen en in contact gebracht met de familie Gabarre Mendoza. Ze dacht dat zij openstonden om mee te werken aan mijn afstudeerfilm: het was de zomervakantie en de zonen, die nu volwassen mannen zijn, hadden niet zo veel te doen. Zodra ik hen kende, kon ik me vrij bewegen door de wijk.”

Lees hier de recensie van ‘La última primavera’

Lamberti bleef contact houden omdat ze „een enorme liefde kreeg voor hun onaangepastheid en schaamteloosheid”. Op het filmfestival van San Sebastian haalde een schoondochter bijvoorbeeld op de rode loper een borst uit haar jurk om haar kind te voeden. Lamberti: „Mijn eerste reactie was: ‘Dat kun je hier niet doen’.” Achteraf besefte ze dat dat juist was wat haar zo aantrok. „Ik ben zelf opgevoed met het idee dat als er visite komt, je de beste kant van jezelf laat zien. Met momenten waarvan ik dacht dat de familie niet zouden willen dat ze werden gefilmd, zoals ruzies of het doorzoeken van vuilnisbakken, hadden zij geen probleem. De schaamte die ik zelf heb, ontbreekt volledig bij hen.”