Opinie

Een wreed spel in een partij die zichzelf zoekt

Tom-Jan Meeus

Vier jaar geleden, in de dramatische PvdA-campagne van 2017, werd Lodewijk Asscher bij momenten moed ingepraat door een concurrent. CDA-voorman Sybrand Buma herkende het verliezersgevoel waartegen Asscher vergeefs vocht – hij had in 2012 hetzelfde meegemaakt.

En het ingewikkeldste, vertelde Buma zijn PvdA-collega, komt pas na de nederlaag: zelfs de kiezers die je hebben afgedankt blijven je behandelen alsof je leider van een grote partij bent.

Het paradoxale is dat je de laatste maanden iets vergelijkbaars in het CDA zelf ziet. De partij die er in 2017 enigszins bovenop kwam, moest deze zomer incasseren dat Wopke Hoekstra afhaakte voor het leiderschap. Sindsdien is het CDA uit zijn doen. Hugo de Jonge is gekozen maar intern niet volmondig geaccepteerd. Aanhang van zijn opponenten in de lijsttrekkersstrijd, Pieter Omtzigt en Mona Keijzer, kan de nederlaag maar lastig achter zich laten.

Het verklaart mede waarom de twee zaken waarmee de partij deze week naar buiten komt – de kandidatenlijst (dinsdag) en het verkiezingsprogramma (vrijdag) – de laatste weken binnenskamers zoveel deining veroorzaakten.

In de programcommissie, met Omtzigt als lid, ging veel energie zitten in de EU-paragraaf. De Jonges ‘running mate’ deed tekstvoorstellen („opt-out”) die zijn scepsis over de ECB en verdergaande (financiële) eenwording van Europa onderstrepen. Een gevoelig punt in een partij met pro-Europese wortels. De opt-out verdween uit de tekst, en na veel discussie ligt er sinds zondag, hoorde ik, een „positief-kritische EU-paragraaf”. Maar wat een betrokkene vooral verbaasde: tijdens dit precaire debat bleef volmaakt ongewis wat De Jonge ervan vindt: „Hébben we wel een leider?”

De discussie over de kandidatenlijst versterkte het verliezersgevoel. De meeste bewindslieden en bijna de hele Kamerfractie willen (weer) op de lijst, en met veertien zetels in de Peilingwijzer lopen daarmee talrijke beroepspolitici het risico dat ze naast een zetel grijpen. Nervositeit en broodnijd. Daarbij wil De Jonge vernieuwen. Iemand die naar voren is geschoven is zijn politiek adviseur: Bart van den Brink. Van den Brink, eerder Buma’s spindoctor, is sociaal vaardig en ligt goed in de partij. Maar de discussie over zijn kandidatuur versterkt sluimerende kritiek sinds de lijsttrekkersverkiezing: dat De Jonge eigen mensen bevoordeelt.

En zo slaagt het CDA er maar niet in de eigen stembusstrijd af te sluiten: nu De Jonge als chef corona van het kabinet steeds wordt opgeslokt door het virus, blijft in de partij het verlangen circuleren dat hij plaats maakt voor een kansrijkere lijsttrekker. Je kunt het uit CDA-oogpunt logisch vinden. Je kunt het ook zien als wreed schouwspel in een partij die zich groter waant dan ze feitelijk is.

Tom-Jan Meeus (t.meeus@nrc.nl; @tomjanmeeus) schrijft elke dinsdag op deze plek een column.