Vier verdronken dorpen Noordoostpolder teruggevonden

Archeologie Door archeologisch speurwerk heeft Yftinus van Popta verdronken dorpen in de Noordoostpolder gelokaliseerd.

Historische kaart van de Zuiderzee door cartograaf Christian Sgroten (1573). Alleen Schokland en Urk liggen nog boven water.
Historische kaart van de Zuiderzee door cartograaf Christian Sgroten (1573). Alleen Schokland en Urk liggen nog boven water. Proefschrift Yftinus van Popta

Vier middeleeuwse ‘verdronken’ nederzettingen in de Zuiderzee zijn weer ‘boven water’ gekomen. Maritiem archeoloog Yftinus van Popta heeft aan de hand van archeologische vondsten hun vroegere locaties kunnen bepalen; ze lagen ten noorden van Urk en Schokland. Van Popta promoveert aanstaande donderdag aan de Rijksuniversiteit Groningen op zijn onderzoek naar de dynamische ontwikkeling van het noordoostelijke Zuiderzeegebied in de Late Middeleeuwen.

Schokland en Urk zijn bekende zichtbare resten van eilanden uit de Late Middeleeuwen in wat nu de Noordoostpolder in Flevoland is. Uit historische bronnen was bekend dat in de periode tussen 1000 en 1400 nog meer nederzettingen in het gebied waren. Maar Nagele, Marcnesse en Fenehuysen (Veenhuizen) I en II zijn in de loop der tijd verdronken en verdwenen.

Bij de drooglegging van de polder in de jaren veertig en vijftig bestond nog het idee dat het mogelijk moest zijn om de locaties van de oude nederzettingen terug te vinden, vertelt Van Popta. „Maar later ging men ervan uit dat door de zee en erosie alles was verdwenen. Archeologische resten die werden gevonden werden beschouwd als verstoring of afval afkomstig van schepen.” De aandacht van archeologen ging hierdoor de laatste jaren vooral uit naar de wrakken van schepen die ooit op de Zuiderzee waren vergaan. „In de Flevopolder zijn er ongeveer 450 ontdekt,” weet Van Popta.

Hij was benieuwd of het toch niet mogelijk was om te bepalen waar de verdronken nederzettingen hadden gelegen. „Ik heb alle archeologische ontdekkingen die in de polder zijn gedaan in kaart gebracht. Daarbij ging het om vondsten die op bewoning duidden, dus aardewerk, baksteen, leisteen, dakpannen en dierlijke botten. Ik heb ze overal vandaan gehaald: uit rapporten, boeken en opgravingsverslagen.” Toen hij de vondsten had verzameld en in een Geografisch Informatie Systeem had gestopt, zag hij duidelijk een aantal concentraties in het gebied. Maar toen wist hij nog niet om welke nederzettingen het ging.

Historische bronnen van de Sint Odulphusabdij bij Stavoren, zoals een dertiende-eeuwse kopie van de stichtingsakte, hielpen hem verder: ze bevatten een lijst met 25 kapellen en goederen die bezit waren van de abdij. „Ze staan met de klok mee in geografische volgorde.” Na Sillehem op het vaste land gaat de route naar de eilanden Urk en Emelwerth (Emmeloord, onderdeel van Schokland). „Ertussenin liggen Fenehusum, Marcnesse en Nagele.”

Opdracht van de bisschop

De bewoning in het gebied is begonnen in de tiende eeuw, zegt Van Popta. „In opdracht van de bisschop van Utrecht.” De eerste bewoners vestigden zich bij wat nu Urk is en wat toen een laagveengebied met veel water was. Om landbouw te kunnen bedrijven gingen ze sloten graven om het gebied te ontwateren. Hierdoor versnelden ze de dynamiek in het gebied dat in contact stond met de Noordzee. Getij, stromen en stormvloeden zorgden voor zoveel afkalving dat in de dertiende eeuw de Zuiderzee ontstond. Nagele, Marcnesse en Veenhuizen zijn toen verdronken. „Uit historische bronnen is bijvoorbeeld bekend dat bewoners van Nagele naar Kampen zijn getrokken,’ vertelt Van Popta. „Veenhuizen is zelfs twee keer verdronken. In het Kuinderbos hebben we resten opgegraven van de tweede nederzetting, die tussen 1300 en 1700 bestond. Daarna is het dorp ten noordwesten voor de derde keer opgebouwd.”

Schokland is niet weggespoeld, maar moest in 1859 ontruimd worden. Uiteindelijk is alleen Urk bewoond gebleven en een vissersdorp geworden. Van Popta: „Maar van oorsprong zijn het dus boeren.”