Het pianomeisje, haar moeder en de belager

Wie: Ferdinand (26)

Kwestie: Aanranden twee minderjarige fietsers

Waar: Rechtbank in Almelo

De Zitting

Het is een schrikbeeld voor ouders. Je dochter fietst op een zomeravond alleen over straat en wordt achternagezeten. De belager komt naast haar fietsen en wrijft over haar billen, grijpt haar bij buik en borsten en maakt dat-ie wegkomt.

Het overkwam twee meisjes los van elkaar in een bosrijk forenzendorp dicht bij de Duitse grens. De een was onderweg naar tennistraining, de ander naar pianoles. En als de moeder van het pianomeisje niet zelf op onderzoek was uitgegaan, was Ferdinand nooit in het verdachtenbankje beland.

De verdachte – zijn blonde haar opgeschoren onder een bril met zwaar montuur – ontkent dat hij de stiekeme borstenknijper was. Dat ontkennen deed hij bij politie, dat deed hij met stemverheffing op de gang, en dat doet hij opnieuw tegenover de rechters. „Ik fiets daar weleens maar ik heb de politie gezegd dat ik er niks van weet.”

Het tennismeisje merkte dat er iemand achter haar fietste, leest de voorzitter voor uit het dossier. Een blanke jongen, zo bleek toen hij haar inhaalde, met kort, blond haar en een zwarte bril. „Het andere slachtoffer heeft het over een vierkante bril. Ik kan me voorstellen dat mensen dat van je bril zeggen.”

Een schaduw van verwarring glijdt over Ferdinands gezicht. Is zijn bril vierkant? Kennelijk.

„Ze zegt verder: de jongen was redelijk lang. Kun je gaan staan?”

Ferdinand staat op.

„Mmm... zo lang is dat niet”, zegt de voorzitter. „Hoe lang ben je?”

Geen idee, antwoordt Ferdinand. Hij is verstandelijk beperkt, woont beschermd en brengt de dag door met vakkenvullen.

Bij het pianomeisje verliep de aanranding anders. Zij ziet een jongen fietsen, hij verandert van richting en nadert haar van achteren. „Hij zat op een donkerblauwe Gazelle-fiets.”

„Klopt niet!” Ferdinand ontploft. „Mijn fiets is lichtgrijs, een Sparta.”

„Hij droeg een T-shirt, één vak roze, één vak blauw.”

„Nee! Ik heb dat T-shirt niet.”

„Maar je draagt wel vaak roze, toch?”

Anders dan het tennismeisje deed het pianomeisje meteen aangifte. Haar moeder vertelde haar tennisvriendinnen erover en hoorde over het tennismeisje. Het signalement kwam overeen en een dochter zei dat ze wist wie de belager was. „Zo’n jongen woont in het beschermd-wonen-complex.” De pianomoeder belde aan en hoewel zijn begeleiders ‘niets van seksuele preoccupatie hadden gemerkt’, moest Ferdinand zich op het politiebureau melden.

Ferdinand heeft de schijn tegen. Hij werd al eens veroordeeld voor seksueel misbruik. Dertien jaar geleden stuurde de kinderrechter hem een half jaar naar een jeugdinrichting en ook toen ontkende hij het zedendelict. „Je vond het heel vervelend dat je niet thuis mocht wonen”, je ouders moesten steeds naar de gevangenis rijden, zegt de voorzitter. „Je raakte depressief en kampte met zelfmoordgedachten.”

Ferdinand duikt diep weg in zijn jas. „Nu praat ik er met begeleiders over”, zegt hij. „Dat helpt.”

Aanwijzen is één, betoogt de officier, maar veroordelen gaat een stap verder. Dat blijkt ingewikkeld bij zedenzaken waar geen getuigen bij zijn en waarvan camerabeelden ontbreken. Aan de verklaringen van beide meisjes twijfelt hij niet, maar de vraag is: is er voldoende bewijs dat de fietsende belager Ferdinand was?

Het signalement klopt, benadrukt de aanklager, maar het T-shirt, het merk fiets en de kleur ervan komen niet overeen met de verklaringen van de tienermeisjes. En uit zijn telefoongegevens valt evenmin af te leiden dat Ferdinand ter plekke is geweest. „Dat maakt dat ik met twijfel blijf zitten.”

Bij gebrek aan overtuigend bewijs vraagt de aanklager om vrijspraak. De raadsvrouw wijst nog op een brief van begeleiders. Die zien geregeld een jongen door het dorp fietsen die sprekend op Ferdinand lijkt. De advocaat: „Het is niet aan verdachte om zijn onschuld aan te tonen, maar dit kan een extra argument zijn in het kader van het ontbreken van overtuigend bewijs.”

Nog dezelfde middag wordt Ferdinand vrijgesproken. De aanrandingen „zijn ernstige feiten”, benadrukt de rechtbank, maar wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Onduidelijk is of de belager en de verdachte één en dezelfde persoon zijn.

„Zie je wel”, sist Ferdinand. Hij blijft woedend.