Opinie

Die verlichte ruit met een leven erachter

Marjoleine de Vos

Soms – je zit in de trein een beetje uit het raam te staren, het is avond, de trein rijdt de stad in, verlichte ramen van huizen waar je langs komt, iemand sluit net een gordijn – denk je: al die levens. Je vangt er maar even een glimp van op. „En altijd weer de schok van de vraag/ hoe het kan, dat voor die maar heel even/ ervaren gestalte haar zeer eigen leven/ het centrum is van alles wat bestaat” schrijft Willem van Toorn in zijn mooie, rustig beschrijvende bundel De dagen. En dat dat voor jezelf ook zo is, „terwijl/ ik voor haar een niets ben”, een verlichte trein in de verte.

Zo’n kalme korte verwondering, waar de dichter even bij stilstaat, hoe we allemaal het centrum van ons eigen leven zijn. Je weet dat, je weet ook dat je af en toe even uit dat centrum moet stappen en proberen te kijken hoe het er vanuit de trein uitziet, dat bestaan van je.

Soms vraag je je dat ook in het groot af. Als het nieuws gedomineerd wordt door de herfstvakantie van de koning, zucht, en dat zijn twee dochters nog een paar dagen gebleven zijn. Waarom wísten we dat niet, vraagt de Journaalpresentator met gefronste wenkbrauwen, ja waarom, omdat het on-be-lang-rijk is, daarom. En intussen in Frankrijk zijn er mensen die alle reden hebben om het centrum van hun bestaan te zijn, en ook het centrum van menig ander bestaan. Hoe zou de moeder, de beste vriend, de ex-vrouw van Samuel Paty zich voelen? Er valt in het eigen bestaan nauwelijks iets walgelijkers te bedenken dan dit. De gruwelijke dingen die hun voorstellingsvermogen gaat doen, je wilt er niet te veel aan denken. Afstandelijk blijven praten, dan lijkt het nog hanteerbaar. Wij rijden voorbij in onze trein en kijken even naar die verlichte ruit in de verte waarachter hun leven zich afspeelt, dat van zijn zoon, zijn vrienden, zijn leerlingen.

Als zij zouden weten waar wij ons intussen onophoudelijk druk over maken. Hoe we dag en nacht, wat er ook gebeurt, blijven praten en zeuren over de coronamaatregelen en of die genoeg, te veel, te weinig zijn.

Het is onredelijk te verwachten dat de eigen zorgen precies overeenkomen met de zorgen van anderen, onbekenden. Dat hoeft ook niet, tot de werkelijkheden zó ver van elkaar gaan verschillen dat er geen gesprek meer mogelijk is. Als feiten er niet meer toe doen bijvoorbeeld, omdat die immers allemaal gelogen zijn, of omdat er altijd wel een alternatief feitje gevonden kan worden dat beter past bij het eigen wereldbeeld, ja dan valt er nergens meer over te praten.

Laatst las ik dat juist hogeropgeleiden daar nogal bedreven in zijn, in ‘de feiten net zo lang martelen’ tot ze passen bij ons eigen waardensysteem. Hm. Dat is nu bijvoorbeeld zo’n ‘feit’ waar je weinig zin in hebt.

Maar het is wel aanleiding om je eens af te vragen hoezeer je openstaat voor opvattingen die niet in overeenstemming zijn met je eigen waardensysteem. De linkse intolerantie voor andersdenkenden is best groot. Vrijblijvend filosoferen, dat kunnen we als de beste, loze gebaren maken ook. Ik heb een elektrische auto gekocht bijvoorbeeld. Maar mijn ingeruilde oude diesel (Sorry. Niet zó oud dat-ie al milieu-unfähig was, maar toch) rijdt ongetwijfeld binnenkort door Polen of Afrika, dus wat is de wereld nu beter geworden van mijn brave gedrag? Anderzijds: ik rijd straks niet weer in een nieuwe diesel.

En hé, zo ben ik er toch weer in geslaagd om van mezelf en mijn auto het centrum van het universum te maken. Beter misschien ook maar. Ik ben wagenziek van de wereld.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.