Opinie

Een columnist mag veel, maar niet andermans citaten verbasteren

De ombudsman

Helaas, de Emmerse twisten hebben NRC bereikt. De Leidse historicus, bekend van zijn werk over de slavenhandel, ging in de Volkskrant vorige maand in een interview over de tong als een „racistische hoogleraar”. Volgde een boze brief van Emmer, een column en een tweede boze brief van Emmer.

In NRC nam Stephan Sanders het voor de historicus op: hij irriteert volgens Sanders door zijn afstandelijke „toon”. In het racisme- en slavernijdebat kan hij daardoor overkomen als iemand die achteraan stond toen de empathie werd uitgedeeld.

Maar vorige week las ik ook een opmerkelijke correctie van een andere NRC-column over Emmer. Onder de kop Niet Piet Emmer, maar zijn werk is racistisch had columnist Zihni Özdil uitspraken van de historicus over roofkunst in De Telegraaf gehekeld als „uiterst racistische drogredeneringen”.

Dit zei de correctie: „Het betrof hier uitspraken die niet door Emmer zijn gedaan en die dus niet tussen aanhalingstekens hadden moeten staan.”

Mijn eerste kopje ombudskoffie bleef lang in de lucht hangen toen ik dat las. Pardon? Waar kwamen die citaten dan wél vandaan? Was dit een vergissing, opzet, een mislukte grap? De correctie zweeg.

Voor een handvol lezers was het niettemin genoeg om boos te mailen over het stuk en het uitblijven van excuses aan Emmer. Opinie plaatste een brief.

Maar hoe zat het nu met die citaten?

Özdil leverde zijn zaterdagse column zoals gebruikelijk op vrijdagochtend in. Een bureauredacteur die De Telegraaf ook had gelezen viel al snel op dat de uitspraken die Özdil aan Emmer toeschreef sterk afweken van wat de historicus in die krant had gezegd. Soeharto werd gepromoveerd tot „dictator”, de Britten hadden het Parthenon-fries niet meegenomen maar „(terecht) gejat”, het sneuvelen van vele honderden Balinezen was een „genocidale strafexpeditie” geworden, en zo meer.

Misschien wáár, maar niet wat Emmer zei.

De redacteur belde de columnist, die het uitlegde: hij wilde met „gecorrigeerde citaten” laten zien wat Emmer altijd ten onrechte wegliet en had diens uitspraken dus bewerkt. Daarom stonden ze ook niet tussen dubbele maar enkele aanhalingstekens – dat moest aangeven dat het om parafrases ging.

De redacteur maakte bezwaar en stelde voor in de tekst dan ook maar uit te leggen dat dit geen letterlijke citaten waren, maar een ironische weergave. Maar de columnist wilde dat niet: dit was geen ironie, maar ernst. Uiteindelijk liet de redacteur zich overtuigen door de enkele aanhalingstekens – als ‘signaal’ (dit zijn ironietekens) aan de lezer.

Rond het middaguur appte Özdil alsnog met de suggestie toe te voegen dat dit was wat hij „haalde” uit het interview. Die toevoeging, ook nog veel te cryptisch, belandde niet in de papieren editie.

Kortom. Hier had het licht op knalrood moeten springen. De vrijheid van de columnist is een groot goed, maar het op deze manier verbasteren van citaten valt er uitdrukkelijk niet onder. Het plaatsen van enkele aanhalingstekens lost dat niet op; wie weet kan dat bij exegese van teksten uit de late Middeleeuwen een signaal zijn, maar het is dat niet in een krant (trouwens, de recensiebijlage Boeken gebruikt ze standaard bij échte citaten uit de besproken titels). Emmer spreekt nu van „verzonnen” citaten, al zoog Özdil ze niet helemaal uit zijn duim.

Het treurige is bovendien dat er genoeg andere manieren voor de columnist waren om zijn punt te maken. Hij had Emmers uitspraken gewoon letterlijk kunnen citeren en becommentariëren – wat is daar mis mee? Met trucs en kunstgrepen in een column moet je toch al altijd oppassen.

Hoe ging het verder?

Emmer werd op de column geattendeerd door een lezer (die ook de geplaatste brief schreef) en klom in de pen. Hij wees er op, zonder meteen rectificatie te eisen, dat hij deze dingen nooit had gezegd.

De chef Opinie, die de column vrijdag niet had gelezen, gaf hem groot gelijk: dit kon zo niet. In overleg met de hoofdredactie werd een correctie geformuleerd. In aanzet was die iets langer, maar Emmer verzette zich tegen de term ‘parafrase’. Dat is immers: met andere woorden hetzelfde zeggen. Hier was iets heel anders gebeurd. Özdil werd om de ‘citaten’ per mail op de vinger getikt door de hoofdredacteur. Geschrokken had hij toen al een volgende column ingestuurd met uitleg van zijn bedoelingen. Daarin erkende hij dat het misgegaan was en bood hij Emmer excuses aan. Dat werd niet geplaatst, omdat een correctie al in de maak was. Özdil kwam dus niet meer op de zaak terug. Jammer, want dat zou je wel verwachten, hoe kort of bondig ook.

Dit is pijnlijk voor de columnist, maar ook voor de redactie, om meer dan één reden. Emmer en Özdil zijn geen onbekenden, al hebben ze elkaar nooit ontmoet. Sinds 2014 zijn ze verwikkeld in een pennenstrijd. In het magazine Historiek fileerde Emmer een slavernij-artikel van Özdil, toen promovendus aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Als uitsmijter voegde hij zijn jongere collega toe: „Zihni Özdil, ga wat anders doen.”

Zoiets kan tot een zinnige polemiek leiden, maar het betekent ook dat een redactie alert moet zijn dat die niet ontspoort. Özdil zegt dat hij zijn aanval niet persoonlijk bedoelde: het gaat niet om de man maar om zijn opvattingen. Maar de ‘citaten’ in zijn stuk dienden vooral als opmaat tot een lange tirade tegen Emmer, wiens „hele oeuvre” bestaat uit „bizarre kronkels”, die „onzin debiteert”, de geschiedwetenschap „beledigt” en anderen die wél proberen „kritisch te reflecteren op onze vaderlandse geschiedenis” (zoals Özdil) aanvalt met „ad hominems die bijna net zo infantiel zijn als zijn logica”.

Lieve hemel! Waarom publiceert de krant zoiets? Ik zou zeggen, nu Emmer toch al is verwikkeld in een conflict met een ander dagblad: laat dit moddergevecht lekker spetteren bij de buren.

Özdil heeft spijt. Hij zegt: „Achteraf gezien heb ik gedaan wat ik juist niet wilde: de persoon zwart maken.” Hij heeft zich bij Emmer telefonisch verontschuldigd voor de ‘citaten’. Die zegt dat onvoldoende te vinden, hij wil ook excuses voor de bewering (tot in de kop) dat zijn opvattingen racistisch zijn. Emmer is daar „ontzet” over, zegt hij, want: „Ik ben een oorlogskind. Racisme is voor mij dat de overburen worden weggevoerd en niet terugkomen.”

Dat laatste maakt duidelijk dat er nóg iets bijkomt: de spraakverwarring over racisme, een begrip dat beschrijvend is, maar ook altijd een moreel oordeel.

Wie een ander van racisme beticht, zal dus duidelijk moeten maken welke definitie hij volgt en waarom de gewraakte uitspraken of gedragingen daar onder vallen. In de column van Özdil gebeurde geen van beide. Trouwens, je zou het bijna vergeten, maar je kunt de interpretaties van een historicus ook feitelijk bestrijden, zonder het R-woord.

Dat kan de columnist zich aantrekken – dat doet hij dus ook – maar ook de redactie, die zijn onbesuisde stuk plaatste.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.