Opinie

De coronacrisis perkt het vrije wietgebruik in

De Rechtsstaat

Verbieden, tijdelijk verbieden, nee, eerst waarschuwen of toch maar meteen een boete? Er valt veel te genieten in coronatijden, met een liberale premier die tegen z’n natuur in nu op zoek is naar de botte bijl. Eigen verantwoordelijkheid volstaat niet meer. In het Veiligheidsberaad werd deze week afgesproken dat de handhavers „een stap naar voren doen”. Sneller beboeten, namen noteren van wie gewaarschuwd is. En wie het waagt te „lachen om een berisping krijgt meteen een boete”, vond voorzitter Bruls, die daarmee teruggreep naar eenvoudiger tijden toen je bij een standje van de agent ook nog het juiste gezicht moest trekken.

Ik heb me nog het meest vermaakt met het aanvankelijke verbod om behalve alcohol ook softdrugs niet langer te ‘verkopen, bezorgen of nuttigen op straat in de avond en nacht’. Nederland Partyland werd gesloten, inclusief doorfeesten in het park. De coffeeshop moest dus ook dicht. Rutte noemde het geen avondklok, maar een ‘alcoholklok’. En daarmee dus ook een wietklok.

Dat blowverbod werd binnen een etmaal door, nota bene, het ministerie van Justitie zelf weer ingetrokken. En wel omdat ‘juristen’ op het departement ontdekten dat zo’n verbod in strijd is met het gedoogbeleid. Naar verluidt zou het niet mogelijk zijn om in noodverordeningen iets te verbieden, wat feitelijk al verboden was, in de Opiumwet. En waar volgens de ‘Aanwijzing Opiumwet’ dan weer precieze criteria golden waaronder het desondanks toch mag.

Het leek mij een smetteloze redenering, die bovendien een authentiek stukje Nederlandse verbodscultuur aan het licht brengt. Namelijk het precies regelen van de omstandigheden waaronder het gezag niet zal optreden. Een regel die de werklast voor het gezag binnen de perken houdt, de burger net wat extra vrijheid biedt en politiek de rekkelijken én de preciezen beloont. Zo baarde de polder wettelijke ‘gedoogcriteria’. Vervolgens moet je politiek wel oppassen dat het gedogen niet zó bevalt, dat de norm – het verbod – geheel uit het zicht verdwijnt. Wat hier dus al decennia aan de hand is.

Minister Grapperhaus stelde de Kamer deze week gerust. Andere juristen hebben er kennelijk nog eens naar gekeken en wat blijkt? Hasj- en wietgebruik mogen tóch ’s avonds en ’s nachts op straat als verboden worden aangemerkt, zónder last van het gedoogbeleid. De redenering gaat als volgt. Gedogen gaat alleen over het wegnemen van de strafbaarheid van het verkopen van hasj en wiet. Gebruik is toegestaan, maar bezit is altijd strafbaar gebleven. Dat er niet tegen wordt opgetreden, was alleen omdat bezit een ‘lage opsporingsprioriteit’ heeft.

Let wel, er wordt hier dus verschil gemaakt tussen niet-opsporen en gedogen. Dat eerste is beleid, het tweede is regelgeving. Als wietverkoper kun je daar rechten aan ontlenen. Als wietconsument moet je maar hopen op de stand van het opsporingsbeleid – op de prioriteit van de dag dus, zoals nu blijkt. Het kabinet heeft nu een ‘wietklok’ nodig. Wie straks ’s avonds in het park met vrienden gaat blowen, bezit dus kennelijk drugs en wordt daarop aangepakt. Hoewel het blowen zelf is toegestaan. Zo is de puzzel opgelost. Daarmee is meteen de Opiumwet bijgesteld. Die trok immers gebruik en bezit uit elkaar – juist om gebruikers niet te criminaliseren. Dat houdt nu op, althans in de nacht.

Het kabinet realiseert zo dus een blowverbod via de achterdeur. Bezit had een ‘lage opsporingsprioriteit’ omdat cannabisgebruik als een volksgezondheidskwestie werd gezien. Maar nu wordt de ‘recreatieve roker’ als besmettingsgevaar gezien. En dus verandert de opsporingsprioriteit van ‘laag’ in ‘hoog’. Kondigt zich hier het einde van het vrije wietgebruik aan? Grapperhaus heeft in ieder geval een nieuwe en creatieve interpretatie van de Opiumwet bedacht.

Onthoud dus, lieve lezers, er is juridisch verschil tussen gereguleerd gedogen en beleidsmatig afzien van vervolgen. Dat mag er hetzelfde uitzien, gelijk aanvoelen en materieel hetzelfde resultaat hebben, het is toch iets anders. Kijk, daar heb je nou juristen voor.

En niet lachen – dan krijg je zéker een bekeuring. De wietklok mag gaan tikken.

Folkert Jensma is juridisch commentator. Twitter: @folkertjensma

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.