Reportage

‘Een gymnasium in A’dam Zuidoost kon dus wél’

Klassieke talen in Reigersbos Voor het eerst kunnen leerlingen in Amsterdam-Zuidoost naar het gymnasium. Docent Kurano Bigiman van het Ir. Lely Lyceum heeft een missie. „Latijn en Grieks zijn de minst discriminerende vakken die er bestaan.”

Kurano Bigiman: „Er is weinig verschil tussen de leerlingen van de twee gymnasia.”
Kurano Bigiman: „Er is weinig verschil tussen de leerlingen van de twee gymnasia.” Foto Olivier Middendorp

Welke activiteiten vinden er plaats in het tepidarium?” „Masseren!” „En wat nog meer?”

Stilte.

„Wat kun je met je handen laten doen?”

„Verzorgen!”

„Precies, handverzorging. Het was een soort manicureclub.” Kurano Bigiman scrollt over het digitale schoolbord. „Maar wat is de belangrijkste activiteit?”

„Afkoelen!”

„Juist! In het tepidarium kom je om af te koelen. Denk maar aan het Engelse woord ‘tepid’. Dat betekent ‘lauw’.”

De Romeinse thermen, daar gaat het over tijdens het blokuur Latijn op maandagochtend. Met zijn leerlingen uit de eerste klas neemt docent Bigiman het huiswerk door. Na het tepidarium bespreekt hij het caldarium, het warme bad. En daarna gaat het over aquaducten. Bigiman: „Zo’n bogenstructuur is typisch Romeins.”

Een heel normale les op een Amsterdams gymnasium, zou je zeggen. En toch ook weer niet. De negentien leerlingen in Bigimans klas zijn, op twee na, niet wit. Hun ouders – geboren in Suriname, Ghana of de Antillen – zijn vaker beveiliger of cassière bij de Action dan arts of advocaat. En het klaslokaal staat niet in Oud-Zuid, maar in het meest zuidoostelijke puntje van Amsterdam: Reigersbos.

De eerste gymnasiumklas in Zuidoost op het Ir. Lely Lyceum.

Foto Olivier Middendorp

 

Welkom op het Ir. Lely Lyceum, de eerste school in Amsterdam-Zuidoost met een gymnasiumklas. Sinds ruim een jaar geeft Kurano Bigiman (35) hier Latijn en Grieks, in de eerste, tweede en derde klas. Zijn missie: bewijzen dat het kán, gymnasiasten kweken in het armste en ingewikkeldste stadsdeel van Amsterdam.

Als enige stadsdeel heeft Zuidoost (bijna 90.000 inwoners) nooit een gymnasiumklas gehad. Wie het hoogst haalbare diploma wilde halen, moest met de metro, naar een middelbare school in Oud-Zuid of elders in Amsterdam. „Voor kinderen uit Zuidoost lijkt me dat een hele opgave”, zegt Bigiman. „Je belandt in een nogal witte wereld waar je jezelf niet in herkent. Om dat zes of zeven jaar vol te houden, moet je stevig in je schoenen staan.”

Bigiman kan het weten. Hij groeide op in Amsterdam-Oost, als kind van inheems-Surinaamse ouders die in de jaren zeventig naar Nederland waren gekomen. Op het Vossius Gymnasium in Amsterdam-Zuid was hij praktisch de enige zwarte leerling. „Daar kreeg ik op een gegeven moment ook weleens de gedachte: hoor ik wel op deze school?”

Het was op het Vossius dat Bigiman gegrepen werd door Latijn en Grieks. „Ik was er goed in en vond het leuk, puzzelen aan taalstructuren.” Na drie studies aan de UvA (klassieke talen, Nieuw-Grieks en Europese Studies) ging hij aan het werk als classicus op zijn oude middelbare school. Inmiddels is hij in zijn veertiende jaar als leraar. Hij is, voor zover hij weet, nog altijd de enige docent klassieke talen van volledig Surinaamse komaf in Nederland.

Al best wel lang, sinds zijn zeventiende of achttiende, vond Bigiman het „raar” dat er in Zuidoost geen gymnasium was. „Een soort blinde vlek in de stad.” Dus toen hij een telefoontje kreeg of hij naast zijn werk op het Vossius ook de gymnasiumafdeling op het Ir. Lely Lyceum wilde opzetten, zei hij vrij snel ja.

Het gaat hem in de eerste plaats om emancipatie. Een gymnasiumdiploma, zegt Bigiman, „geeft status”. „Het verschaft je toegang tot een wereld die niet standaard de jouwe is. De universiteit bijvoorbeeld.” Natuurlijk, ook met ‘gewoon’ vwo kun je gaan studeren. Maar op het gymnasium word je nét even wat meer uitgedaagd – en in Zuidoost zou die optie net zo toegankelijk moeten zijn als in de rest van de stad. Kwestie van rechtvaardigheid.

Ja, hij krijgt hem regelmatig: de vraag of kinderen uit arme, vaak sociaal zwakkere milieus wel genoeg ‘bagage’ hebben om klassieke talen te leren. Daar geeft Bigiman dan het volgende antwoord op: „Latijn en Grieks zijn de minst discriminerende vakken die er bestaan. Iedereen begint bij nul. Je hebt nooit een significante voorsprong, zelfs niet als je uit Oud-Zuid komt en ieder weekend met je ouders naar het museum gaat.”

Wat hem juist opvalt, is dat er in de les zo weinig verschil bestaat tussen de leerlingen van de twee gymnasia waar hij werkt. Goed, op het Vossius is hij ‘meneer Bigiman’, op het Lely noemen ze hem ‘meester’. Maar ze stellen hem daar net zulke scherpe vragen over Latijnse naamvallen en klankverandering in het Grieks.

Herrijzenis

Het enige moment dat Bigiman wél een verschil merkt, is wanneer het over slavernij in de Klassieke Oudheid gaat. „Dat gesprek komt op het Vossius niet vanuit de leerlingen zelf. Op het Lely wel.” Dan legt hij uit dat de relatie tussen de dominus en de servus bij de Romeinen een andere was dan die in de koloniale tijd. „Bij de Romeinen maakte de slaaf deel uit van het gezin. Hij was een gebruiksvoorwerp, maar wel eentje waar je zuinig op was.”

De eerste gymnasiumklassen van Kurano Bigiman zijn méér dan een historische noviteit. Ze staan ook voor de herrijzenis van het Ir. Lely Lyceum, een middelbare school die tot enkele jaren geleden kampte met een beroerde reputatie, tekort aan leerlingen en geldgebrek.

In de jaren tachtig, negentig en tien was de Scholengemeenschap Reigersbos (SGR), zoals het Lely toen nog heette, een klassieke probleemschool. Criminaliteit, hoge schooluitval, een ongemotiveerd lerarenkorps, vechtpartijen op het schoolplein. In zijn bestseller Wees onzichtbaar beschrijft Murat Isik hoe het was om in die jaren een niet zo populaire leerling te zijn op het SGR: pesten, zuigen, constante fysieke dreiging. Vanwege zijn Turkse komaf spraken zijn klasgenoten hem zes jaar lang aan met „Hé, schoonmaker.”

Hoewel die onveiligheid alweer geruime tijd tot het verleden behoort, werd de school nog steeds achtervolgd door de slechte reputatie uit Isiks dagen. In 2016 had de SGR nog maar 720 leerlingen – het waren er ooit 1.300.

Leerlingen in de aula van het Ir. Lely Lyceum.

Foto Olivier Middendorp

 

Twee jaar geleden trad Jeroen Rijlaarsdam aan als directeur-bestuurder. Hij trof een school aan „met gebrek aan zelfvertrouwen. De leraren hadden het gevoel dat ze met 1-0 of 2-0 achter stonden, ze vochten tegen het slechte imago.” Één van Rijlaarsdams eerste besluiten: een andere naam voor de school – het ‘merk’ viel niet meer te redden. En zo veranderde het SGR in het Ir. Lely Lyceum. Net als vóór 1980, toen de school verhuisde van de Keizersgracht naar de nieuwe wijk Reigersbos.

Rijlaarsdam deed nog meer: hij stootte het vmbo-kader af, begon een technasium-richting, stelde een leerlingenraad in en nam de interne organisatie op de schop. En hij belde Bigiman, die hij nog kende van zijn tijd als aardrijkskundeleraar op het Vossius: „Kurano, ik heb je hulp nodig.”

Andere schoolbestuurders in Amsterdam verklaarden hem voor gek met zijn gymnasium, zegt Rijlaarsdam. „‘Er is toch geen vraag naar’, zeiden ze. Dat is al tientallen jaren het argument om geen gymnasium te beginnen in Zuidoost. Maar je kunt het ook omdraaien: als je aanbod creëert, komt de vraag vanzelf.”

Het Ir. Lely Lyceum in Zuidoost.

Foto Olivier Middendorp

 

Rijlaarsdam heeft gelijk gekregen: toen het aanbod er eenmaal was, bleek er voldoende vraag. Méér dan voldoende zelfs. De derde klas van het gymnasium, tot stand gekomen via een pilot, kent vijf leerlingen. De tweede: twaalf. En de eerste klas: twintig. Een strak stijgende lijn.

‘Onder-advisering’

Zuidoost is het stadsdeel met de laagste schooladviezen van Amsterdam. In 2019 kreeg ruim 50 procent van de Amsterdamse achtstegroepers een havo/vwo-advies – in het centrum zelfs 80 procent. In Zuidoost lag dat percentage net boven de 30. Volgens Bigiman komt dat door ‘onder-advisering’: basisscholen geven hun leerlingen een niet al te zwaar advies mee. „Ze denken: die kinderen hebben al een ingewikkelde thuissituatie, laten we het niet moeilijk voor ze maken op school.” Goed bedoeld, maar ook eeuwig zonde. „Op zo’n manier wordt een heleboel talent niet benut.”

Op het Ir. Lely Lyceum hebben ze een heel andere filosofie: leerlingen beginnen altijd op het hoogste niveau. „Als jij een havo/vwo-advies hebt gekregen, ga je naar het vwo”, zegt Bigiman. „We leggen de lat hoog, en we helpen je vervolgens eroverheen te springen. En als je het niet aankan, is dat ook niet erg. Dan lukt het misschien later wel.”

Empowerment, het geven van aandacht en zelfvertrouwen, is één van de drie pijlers van het Lely. En dat lijkt te werken. De leerlingen uit de eerste klas gymnasium van Bigiman zijn ambitieus en zelfbewust, zo blijkt uit zeven gesprekjes na afloop van de les. Ze weten allemaal al wat ze later willen worden: arts, dierenarts, scheikundige, onderwijzeres, farmaceutisch wetenschapper. Tijdens de les willen verschillende leerlingen weten wanneer de herkansing is van de eerste toets Latijn. „Meester”, zegt Defarino Markus (12). „Welk cijfer telt dan mee? Het hoogste toch?”

Snelst groeiende school

Inmiddels is het Ir. Lely Lyceum de snelst groeiende school van Amsterdam: sinds 2018 is het aantal aanmeldingen bijna verdubbeld. Volgend schooljaar verwacht Rijlaarsdam door de grens van duizend leerlingen te gaan. En binnen twee jaar wil hij het predikaat ‘excellente school’ hebben binnengehaald. „En dat gaat ons lukken ook.”

Foto Olivier Middendorp

 

Hij is ervan overtuigd, zegt Rijlaarsdam, dat de gymnasiumklas een positief effect heeft gehad op de instroom. Niet alleen omdat gymnasiasten nu op het Lely terecht kunnen – óók op de mavo, de havo en het vwo zijn meer kinderen afgekomen. Dat komt door de „perceptie van het hoogst haalbare” die uitgaat van het gymnasium, denkt hij.

En nee, met de goede sfeer en groeiende instroom op het Lely zijn de armoede en sociale problemen in Zuidoost natuurlijk niet verdwenen. Dat merkten ze wel tijdens de eerste lockdown, toen de kinderen gedwongen tweeënhalve maand thuis zaten. „We hebben 250 laptops aangevraagd bij de gemeente om uit te delen”, zegt Rijlaarsdam. „Dat betekent dat meer dan een kwart van de leerlingen een situatie thuis heeft met beperkt geld.”

Bij het geven van digitale lessen, zegt Bigiman, was er een opmerkelijk verschil tussen de leerlingen van het Lely en die van het Vossius. „Op het Vossius zaten de kinderen vaak in hun eigen kamer, op het Lely zag je op de achtergrond meestal de huiskamer.”

Het sterkte hem in de overtuiging dat school voor de leerlingen „een plek van stabiliteit” moet zijn. „Er gebeurt zovéél in die levens, al helemaal in Zuidoost. Ik herken dat, bij ons thuis was het vroeger ook niet altijd even gezellig. School is meer dan school alleen.”

Junior Nyarko (12): ‘Ik wil wetenschapper worden op de universiteit’

Foto Olivier Middendorp

„Ik had een vwo-advies en zag ‘gymnasium’. Dus ik dacht: laat me dit proberen. Ik wil graag nieuwe talen leren, en dode talen als Latijn en Grieks leken me wel interessant. Later wil ik scheikundige worden, en ook uitvinder. Ik wil als wetenschapper gaan werken op de universiteit.

Mijn ouders komen uit Ghana. Mijn vader werkt in een telefoonwinkel in de wijk Kraaiennest. Mijn moeder werkt in een hotel, maar er is weinig te doen vanwege corona. We wonen hier in Reigersbos, ik kan gewoon naar school lopen.

Latijn vind ik nu al leuk. Voor de eerste toets had ik een 9,6.”

Kim Neschi (12): ‘Veel medische termen zijn in het Latijn’

Foto Olivier Middendorp

„Mijn vader komt uit Nigeria, mijn moeder is Nederlands. Ik had best wel keuzestress in groep 8. Mijn meester zei: je moet technasium gaan doen, of gymnasium. Ik wil dokter worden en mijn tante, die arts is, zei: veel medische termen zijn in het Latijn. Daarom ben ik gymnasium gaan doen. Als ik dokter worden bij nader inzien toch niet leuk vind, wil ik studeren voor advocaat.

De eerste toets Latijn was best wel stressvol, maar ik had goed geleerd. Uiteindelijk had ik een 7,5. Ik ga wel de herkansing doen, dan kan ik nét even een hoger cijfer halen.”

Edward Nsiah (11): ‘Mijn droom is dokter worden, mét ict’

Foto Olivier Middendorp

„Als ik alleen atheneum zou doen, zou dat niet echt een challenge zijn. Op de basisschool zat ik in de topklas, en dat was ook al heel makkelijk. Ik wilde graag nieuwe talen leren, dus heb ik voor het gymnasium gekozen. De eerste toets Latijn was makkelijker dan ik had gedacht, Ik had heel veel geleerd, want het was nieuw.

Mijn ouders zijn allebei geboren in Ghana. Mijn vader werkt als beveiliger, mijn moeder doet catering voor de KLM op Schiphol. Mijn droom is om dokter te worden, gecombineerd met ict. Ik ben goed met computers, en dat wil ik niet zomaar laten zitten.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.