Opinie

Zet met coronawet Eerste Kamer niet buitenspel

Coronawet Volgens de Grondwet hoort bij verregaande bevoegdheden controle van Tweede en Eerste Kamer gezamenlijk, schrijft .
Minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, Welzijn en Sport, CDA) bij een debat in de Eerste Kamer.
Minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, Welzijn en Sport, CDA) bij een debat in de Eerste Kamer. Foto Phil Nijhuis/ANP

Ons staatkundig bestel maakt het mogelijk dat de regering in buitengewone omstandigheden ingrijpende maatregelen neemt waartoe zij onder normale omstandigheden niet bevoegd is – waaronder maatregelen die grondrechten beperken.

Met de Grondwet van 1983 en de daarop gebaseerde Coördinatiewet uitzonderingstoestanden is geregeld dat de regering diep in onze maatschappij ingrijpende noodbevoegdheden in werking kan stellen als dat noodzakelijk is om een crisis het hoofd te bieden, nadat zij de noodtoestand heeft uitgeroepen.

De Grondwet schrijft in dat geval voor (in artikel 103, derde lid) dat de Tweede en Eerste Kamer in verenigde vergadering besluiten over het voortduren van een dergelijke „uitzonderingstoestand”. Het parlement heeft dan het laatste woord over de beschikbaarheid van zulke vergaande bevoegdheden. Deze bijzondere parlementaire bevoegdheid, die inhoudt dat het parlement zelf een besluit neemt en niet afhankelijk is van een voorstel van de regering, dient als waarborg tegen een lichtvaardig gebruik van deze bevoegdheid door de regering.

Weinigen betwisten dat de coronapandemie niet alleen ons land, maar de hele wereld heeft geconfronteerd met een crisis van enorme omvang. Er zijn ingrijpende maatregelen genomen, waarbij burgerlijke vrijheden zijn ingeperkt. Daar is het uitroepen van de noodtoestand voor nodig. In allerlei landen is dat gebeurd, maar niet in Nederland. Twee redenen spelen daarbij een rol.

Parlement op afstand

In de eerste plaats ontbrak aan het begin van de coronacrisis de noodwetgeving met daarin de bevoegdheden die in deze situatie nodig zijn. Het uitroepen van de noodtoestand zou een loos gebaar zijn geweest. In de tweede plaats dacht de regering aanvankelijk dat de bestaande wetgeving uitkomst zou bieden. Op grond van de Wet publieke gezondheid droeg de minister van Volksgezondheid de voorzitters van de veiligheidsregio’s op de door hem noodzakelijk geachte maatregelen in regionale noodverordeningen op te nemen. De parlementaire betrokkenheid en controle werden daardoor op afstand geplaatst. Bovendien was het zeer de vraag of via die noodverordeningen, die voortkomen uit de Gemeentewet, grondrechten konden worden beperkt.

Om beide ernstige gebreken op te heffen is nu de coronawet ingediend. Dat is dus eigenlijk de noodwet die aan het begin van de coronacrisis in werking gesteld had moeten worden, na de afkondiging van de noodtoestand.

Lees ook dit opiniestuk van Wim Voermans: De Jonge slaat door met machtigingswet

Dat de coronawet noodwetgeving is, komt tot uitdrukking in haar tijdelijkheid: drie maanden, behoudens verlenging. De recente behandeling ervan door de Tweede Kamer stond, getuige het grote aantal daartoe strekkende amendementen, bijna volledig in het teken van haar behoefte om de invloed die haar tot dan toe was onthouden terug te pakken. De Kamer heeft extra instrumenten in de wet opgenomen. Het heeft zichzelf voorzien van het recht in te stemmen met door de regering gewenste maatregelen, voordat die in werking kunnen treden.

Eerste Kamer niet akkoord?

Die reflex is begrijpelijk, maar leidt in de Eerste Kamer, die het voorstel deze maandag behandelt, tot ongemak. De Eerste Kamer krijgt deze extra bevoegdheden namelijk niet. Dit ongemak van de Eerste Kamer kan worden afgedaan als een uiting van rivaliteit tussen beide Kamers, maar legt mijns inziens een dieper liggend probleem bloot. Wat moet er gebeuren als de Tweede Kamer instemt met een voorgestelde maatregel of een voorgenomen verlenging van de wet, maar de Eerste Kamer niet? Kan de maatregel of de verlenging dan doorgaan? Wiens oordeel is beslissend, dat van de Tweede of dat van de Eerste Kamer?

Het is niet voor niets dat de Grondwet in buitengewone omstandigheden die noodzaken tot het nemen van diep ingrijpende noodmaatregelen voorschrijft dat het parlement als geheel, in verenigde vergadering, is belast met de democratische controle. Dat voorkomt lichtvaardig gebruik van het uitroepen van de noodtoestand, is belangrijk voor de legitimatie van ingrijpende maatregelen en voorkomt ook dat een verschil in opvatting tussen beide Kamers tot een patstelling leidt, uitgerekend in een crisissituatie waarbij grondrechten van burgers in het geding zijn. Deze grondwettelijke bepaling dient daarom recht te worden gedaan, nu de noodwet die er dit voorjaar niet was alsnog tot stand komt.

Dat de noodtoestand dit voorjaar niet is uitgeroepen, mag geen reden zijn dit voorschrift te negeren. De coronawet geeft de regering tijdelijk vergaande bevoegdheden – dat komt op een noodtoestand neer. De belangrijkste doelstelling van de coronawet is de democratische controle op de noodmaatregelen te versterken. Daarbij dient ook de positie van de Eerste Kamer recht te worden gedaan. De Grondwet voorziet daarin.

Het niet op orde zijn van onze noodwetgeving en de aanvankelijke, juridisch niet houdbaar gebleken keuze van de regering voor de bestaande wetgeving, mogen er niet toe leiden dat in deze ernstige crisis grondwettelijke waarborgen worden omzeild en het grondwettelijk stelsel een dode letter blijft.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.