Welke taal heeft de natste klanken?

Durf te vragen Langs elkaar heen praten is de beste manier om niet besmet te raken.

Foto Jorge Villalba

Niezen, hoesten, juichen, zingen: we zijn ons er steeds pijnlijker van bewust dat we er virussen mee verspreiden. Maar hoe zit het eigenlijk met praten? Daarmee sputteren we ook druppeltjes de lucht in, van zichtbare grootte (zeg maar eens ‘pa-pa-pa-pa’ in een lichtbundel) tot micrometerschaal.

De wetenschappelijke literatuur is opvallend schaars. Pas sinds de coronapandemie heeft het onderwerp echt de aandacht. Luid praten produceert evenveel aerosolen als gematigd hoesten, zo lezen we in een preprint (juli 2020). En mondkapjes mogen dan een twijfelachtig effect hebben, ze houden wel degelijk zichtbare praatdruppeltjes tegen, aldus een studie en bijbehorend filmpje (New England Journal of Medicine, mei 2020).

Opvallend is een Amerikaans artikel in PLOS ONE van januari 2020: pre-pandemie. De auteurs onderzochten welke klanken de meeste aerosolen opleveren. Van de klinkers is dat de klank ‘ie’, als in fiets. Daarbij drukt de tong de mondholte het meest dicht en is de meeste kracht nodig om de lucht erlangs te persen. De ‘ie’ produceert vier keer zoveel aerosolen als de ‘droogste’ klinker: de ‘o’ als in bot.

Natte plofklanken

Medeklinkers zijn gemiddeld natter. De natste medeklinkers zijn de plosieven, oftewel de plofklanken. Dat zijn de medeklinkers die ontstaan doordat je de luchtstroom met je tong of je lippen even blokkeert. Bij het loslaten ontstaan druppeltjes. Voorbeelden zijn de ‘d’, ‘b’, ‘t’, ‘p’ en ‘k’.

De letter ‘p’ vormt op een andere manier een coronarisico. Wie de ‘p’ uitspreekt, produceert namelijk de sterkste luchtstroom. Dat schreven Franse en Amerikaanse onderzoekers in augustus in PNAS. Als je de ‘p’ vaak achter elkaar uitspreekt, ontstaat er een kegel van wervelingen die elkaar in beweging houden. Het netto effect is een luchtstroom waarin aerosolen binnen een fractie van een seconde een halve meter overbruggen, binnen een paar seconden een hele meter, en binnen dertig seconden meer dan twee meter. Dat is nu relevant: als je langer dan dertig seconden frontaal met iemand praat, ben je op anderhalve meter niet veilig. Je kunt dan beter naast elkaar gaan staan en langs elkaar heen praten, aldus de onderzoekers.

Riskante talen

„Het verhaal is natuurlijk gecompliceerder dan dat”, zegt Yiya Chen, hoogleraar fonetiek aan de Universiteit Leiden. „Deze studies geven weliswaar een idee van welke klanken in het lab veel druppeltjes produceren, of een sterke luchtstroom. Maar je moet je realiseren dat spraak heel complex is. Er zijn veel factoren die bepalen hoe spraak zich vertaalt in virusverspreiding.” Hoe luid, lang en snel je praat, bijvoorbeeld. En hoe vaak je bepaalde klanken gebruikt, en in welke combinaties. „Alle talen bevatten veel plofklanken”, zegt Chen. „Ik zou niet durven zeggen welke het grootste risico op transmissie met zich meebrengen.”

De auteurs van het artikel in PLoS One suggereren dat Japans wellicht ‘veiliger’ is dan Engels, omdat Engels hardere en scherpere klanken heeft. Maar ze geven zelf al aan dat ze zich op glad ijs begeven.

En hoe zit het met het Nederlands? Chen, die zelf van oorsprong uit China komt, ziet te veel nuances om daar enige uitspraak over te doen. Hooguit het feit dat wij de ‘p’ minder scherp uitspreken dan Engelsen. „De Nederlandse ‘p’ klinkt bijna als de Engelse ‘b’”, zegt ze. „De Nederlandse ‘p’ ontstaat met een zwakkere luchtstroom, die minder lang duurt. Maar niemand weet wat het netto effect is op virustransmissie. We zouden dan veel meer interdisciplinair onderzoek moeten doen: aerofonetiek.”