Iris Sommer: „Simone de Beauvoir had geen gelijk. De invloed van testosteron is heel groot en die begint al ver voor de geboorte, in de baarmoeder.”

Foto Merlijn Doomernik

Interview

‘Vrouwenbrein is kleiner dan dat van mannen, maar werkt harder’

Iris Sommer Hoe kunnen vrouwen even slim zijn als mannen, terwijl vrouwen een fors kleiner brein hebben? En zijn verschillen in persoonlijkheid aangeboren of aangeleerd? Iris Sommer schreef er een boek over.

Vrouwen hebben een kleiner brein dan mannen. En niet een beetje kleiner, maar fors: gemiddeld twee ons minder. Vrouwen hebben ook minder hersencellen: 197 miljard tegen 231 miljard. „En toch”, zegt Iris Sommer, „is er geen bewijs dat vrouwen minder intelligent zijn dan mannen”.

In hun denkvermogen doen ze dus niet onder voor mannen. Maar het denkvermogen van vrouwen is wel anders. En ook hun persoonlijkheid is anders. Hoe dat kan, daarover heeft Iris Sommer een boek geschreven: Het vrouwenbrein. Het is deze week verschenen.

Ze is psychiater en neurowetenschapper, hoogleraar aan het UMC Groningen. Ze studeerde cum laude af in de geneeskunde en promoveerde cum laude op een onderzoek naar het taalsysteem in de hersenen van mensen met psychotische stoornissen. Ze publiceerde eerder al drie andere populairwetenschappelijke boeken, waarvan Haperende hersenen het bekendste is. En dat alles met een tamelijk klein hoofd. Haar schedelomtrek, zegt ze, is 52 centimeter.

Kun je denken: dat maakt dus niet uit. Maar in de biologie maakt het wel uit. Een groter brein, schrijft ze, gaat altijd samen met een beter denkvermogen, bij alle diersoorten. Binnen families zijn kinderen met een grote schedelomtrek gemiddeld slimmer dan hun broers of zussen met een kleinere schedelomtrek.

Voor Iris Sommer was het „een mysterie” hoe het dan zat met het vrouwenbrein, vooral ook omdat ze in haar werk ziet wat het met mensen doet als ze 1 of 2 procent aan hersenweefsel verliezen. Alzheimer, parkinson, schizofrenie, depressie, al die ziekten leiden tot afname van het aantal hersencellen. Maar nooit meer dan een paar procent. „Een klein verschil”, zegt ze. „Veel kleiner dan het verschil in omvang tussen een mannenbrein en een vrouwenbrein. Toch gaat zo’n ziekte gepaard met een flinke achteruitgang van de verstandelijke vermogens.”

En dan het verlies aan hersenweefsel dat zich bij alle mensen vanaf hun vijfentwintigste voordoet: gemiddeld twee gram per jaar. „Elke gram die we moeten missen, maakt ons een beetje trager in ons doen en denken.” Gezonde zeventigjarigen hebben daardoor gemiddeld een kleiner brein dan gezonde vierentwintigjarigen. Maar het brein van zeventigjarigen met alzheimer is nauwelijks kleiner dan dat van die gezonde zeventigjarigen.

Omvang maakt dus veel uit, behálve als het om het verschil tussen mannen en vrouwen gaat. „En nee”, zegt Iris Sommer, „mannen hebben geen groter brein doordat alle organen bij hen groter zijn.” Het verschil is dus niet relatief. Dat is wel lang gedacht, totdat in de jaren negentig van de vorige eeuw de Amerikaans-Canadese zoöloog Davison Ankney op „het geniale idee” kwam om mannen en vrouwen met dezelfde lichaamslengte met elkaar te vergelijken. „Daar kwam honderd gram verschil uit. En als je niet voor lichaamslengte corrigeert, is het tweehonderd gram.”

In die tijd, schrijft u, werd dat verschil nog gebruikt om de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen te rechtvaardigen.

„En als tegenbeweging begonnen er rond de eeuwwisseling artikelen en boeken te verschijnen waarin werd gezegd dat er helemaal geen verschil was. De Britse neurowetenschapper Gina Rippon schreef in The Gendered Brain dat hersenen genderneutraal zijn, net als de lever en het hart. Maar dat is niet zo. Lever en hart van vrouwen zijn anders dan die van mannen. Cardiologen en farmacologen houden er nu rekening mee. En de hersenen zijn ook niet genderneutraal. In de psychiatrie komen we er steeds meer achter dat je vrouwen niet moet behandelen alsof het mannen zijn.”

Lever en hart van vrouwen zijn anders dan bij mannen. Hersenen zijn ook niet genderneutraal

U deed uw promotieonderzoek in de jaren negentig. Zag u die verschillen tussen mannen- en vrouwenhersenen zelf ook al?

„Ja, en ik vond het machtig interessant. Het had zijdelings met mijn onderwerp te maken, maar ik ben me er wel in gaan verdiepen. Je had toen een theorie die zei dat bij mannen de taal werd aangestuurd door de linkerhersenhelft en bij vrouwen door beide hersenhelften, dus ook de rechter. Daardoor, was het idee, was de rechterhersenhelft bij vrouwen minder goed beschikbaar voor het ruimtelijk voorstellingsvermogen. Mannen hebben inderdaad een beter ruimtelijk voorstellingsvermogen, maar het bewijs voor die theorie deugde niet. Al zie je haar nog steeds in studieboeken staan.”

Lees ook Pychiater-echtpaar: ‘We hebben haast. Zieke mensen kunnen geen tien jaar wachten’

En dat irriteert u?

„Nou ja, een paar jaar geleden dacht ik: nu wil ik snappen hoe het zit. Hoe kan het dat vrouwen even slim zijn als mannen terwijl ze een kleiner brein hebben? En hoe zit het met nature versus nurture? Zijn de verschillen in persoonlijkheid en denkvermogen tussen mannen en vrouwen aangeboren? Of is het de opvoeding? Op de middelbare school las ik Simone de Beauvoir en zij schrijft in De tweede sekse dat we niet als vrouw geboren worden, maar tot vrouw worden gemaakt. Dat leek mij toen zeer aannemelijk. Ik was bij voorbaat boos.”

U kreeg, schrijft u, op de lagere school het advies om naar de huishoudschool te gaan.

„Maar ik ging naar het Bisschoppelijk College in Roermond. Toen ik op mijn veertiende mijn vakkenpakket koos, werd me aangeraden om wiskunde, natuurkunde en scheikunde te laten vallen. En mijn cijfers waren prima, hè. Gewoon prima. In de zomervakantie bedacht ik dat ik toch bèta wilde doen. Toen moest ik een overeenkomst ondertekenen waarin ik beloofde dat ik met Kerst van school zou gaan als ik het niet aankon. Dat was in 1985. Je kunt het je nu niet meer voorstellen.”

In uw boek laat u zien hoe het kan dat het kleinere brein van vrouwen net zo goed werkt als het grotere brein van mannen.

„De afgelopen jaren zijn er meer dan 23.000 wetenschappelijke studies verschenen naar sekseverschillen en het brein, en daarvan heb ik er ongeveer tweeduizend gelezen, vooral de studies waarin grote groepen mensen met elkaar vergeleken werden, en waarvan de resultaten door andere onderzoeksgroepen bevestigd zijn. Ik las overzichtsartikelen die de data van een groot aantal individuele studies samenvatten alsof het medische detectives waren. Vrouwen hebben minder hersencellen, maar het lijkt erop dat ze per cel meer verbindingen maken met andere hersencellen. Dat zou betekenen dat ze een rijker netwerk hebben. Verder zijn de lagen hersencellen bij vrouwen sterker opgevouwen, waardoor er meer oppervlakte in hun kleinere hoofd past. Maar de belangrijkste compensatie is dat de stofwisseling in de cellen bij vrouwen per milliliter hersenweefsel wel 15 procent sneller gaat. En een snellere stofwisseling betekent meer activiteit.”

U vergelijkt het brein van vrouwen met een Europese auto…

„…en dat van mannen met een Amerikaanse auto, ja. Die beeldspraak heb ik van Dick Swaab. Het vrouwenbrein is wel kleiner, maar het werkt harder. Die snellere stofwisseling bij vrouwen komt door de mitochondriën, de energiefabriekjes van de cel. Die worden al miljoenen jaren doorgegeven via de vrouwelijke lijn en zijn perfect geëvolueerd om samen te werken met vrouwelijke lichaamscellen.”

Hoe zit het met dat betere ruimtelijke voorstellingsvermogen van mannen?

„Dat hebben ze en het is geen subtiel verschil. Kleine jongetjes presteren al beter op testjes die dat meten dan kleine meisjes, en dat wijst erop dat het deels aangeboren is. Het verschil neemt toe met de leeftijd en dat is onder invloed van testosteron, het mannelijk geslachtshormoon. Mannen scoren ook beter op testjes die het reactievermogen meten. Rood licht? Knop indrukken! Een man heeft daar gemiddeld 178 milliseconden voor nodig en een vrouw 195. Ik wil er wel bij zeggen dat het ruimtelijk voorstellingsvermogen goed te trainen is. Vrouwen die oefenen met schietspelletjes op de computer worden er beter in.”

Lees ook Nieuwe hersencellen door elektroshocks

Na haar promotie ging Iris Sommer in opleiding tot psychiater en ze verbaasde zich, zegt ze, over de grote verschillen in persoonlijkheid tussen mannen en vrouwen. „Ik heb het natuurlijk over gemiddelden, individueel kunnen mensen heel anders zijn, maar gemiddeld zijn vrouwen vriendelijker van aard, risicomijdender, en neurotischer. Ze piekeren meer en dat maakt hen kwetsbaarder voor angststoornissen en depressies, al vanaf de puberteit, wanneer de vrouwelijke geslachtshormonen komen, de oestrogenen.”

Hoe groot de invloed van hormonen is, zag ze toen ze met het VUmc, nu Amsterdam UMC, onderzoek deed naar mensen die van geslacht veranderen. „Dat onderzoek heeft me echt de ogen geopend”, zegt ze. „Vrouwen die testosteron kregen om man te worden, vertelden dat ze zekerder van zichzelf werden en geneigd waren om meer risico te nemen. Ze waren ook sneller geïrriteerd en schoten eerder uit hun slof. En het ruimtelijk voorstellingsvermogen verbeterde. En o ja, die vergeet ik nog: ze werden minder bescheiden. Dat valt me zo op bij vrouwen: al zijn ze net zo intelligent als mannen, ze twijfelen er meer aan. Eerlijk gezegd herken ik dat wel. Wat zit ik hier nou hoogleraar te wezen, ik ben eigenlijk dom. Mannen schatten hun IQ hoger in. Die bravoure maakt ze ook roekelozer. Allemaal invloed van testosteron.”

Maar het is ook nurture, schrijft u. Omgeving, opvoeding.

„Ja, met meisjes wordt anders omgegaan dan met jongens, al vanaf de geboorte. Meisjes worden vaker opgepakt, er wordt meer tegen ze gepraat, ze worden geholpen, jongens krijgen opdrachtjes en moeten die zelfstandig uitvoeren. En hoe anders is het speelgoed dat ze krijgen, hoe anders zijn de rollen in de Donald Duck. Dat heeft allemaal invloed. Het is alleen niet zo sterk dat het de verschillen in persoonlijkheid bepaalt. En die verschillen zie je over de hele wereld, ook in landen als Zweden. Ik ben er erg voor dat meisjes ook met rijdend materieel spelen en jongens met poppen, maar het verschil in interesse zit goeddeels in de kinderen zelf. Je ziet het zelfs bij jonge aapjes. Het is aangeboren, die conclusie moet je wel trekken.”

Toen ze aan haar „medische detective” begon, zegt ze, dacht ze dat verdeling nature versus nurture bij sekseverschillen ongeveer fiftyfifty zou zijn, net als bij hersenaandoeningen als alzheimer, depressie en schizofrenie. „De helft erfelijke aanleg, de helft omgeving.” Maar dat is niet zo, zegt ze. Bij sekseverschillen denkt ze nu eerder aan 75 procent aanleg en 25 procent omgeving, hoe onwelgevallig die boodschap misschien ook is. „Simone de Beauvoir had geen gelijk. De invloed van testosteron is heel groot en die begint al ver voor de geboorte, in de baarmoeder.”

Een embryo is sekseneutraal tot een week of zes, schrijft ze. Dan begint de aanleg van teelballen, of niet. En met de teelballen begint de productie van testosteron, of niet. Het embryo ontwikkelt zich tot man of vrouw, waarbij eerst de geslachtsorganen worden aangelegd en daarna de hersenen, in mannelijke of vrouwelijke richting. Dat kleinere brein hebben meisjes al bij de geboorte en vanaf hun tiende, schrijft ze, rijpt het sneller, onder invloed van oestrogeen. Gemiddeld liggen ze twee jaar voor op de jongens. „Daarom zie je”, zegt ze, „dat meisjes op jongere leeftijd beter georganiseerd zijn en hun impulsen meer onder controle hebben. Ze kunnen ook beter plannen en kritisch naar zichzelf kijken.” En ja, daarmee hebben ze op school een voordeel.

Iris Sommer vertelt in haar boek dat haar man – ook psychiater, ook hoogleraar – en zij dezelfde kansen hadden, tot de kinderen kwamen. Ze hebben er twee en de eerste werd geboren toen Iris Sommer 26 was. Toen veranderde er van alles. De crèche belde háár als er iets met haar dochter was en later op het schoolplein vroegen andere moeders aan háár hoe ze dat deed, werk en kinderen combineren. „Zulke vragen kreeg mijn man nooit.”

Maar ze vertelt ook dat zij, als het erop aankwam, andere keuzes maakte dan haar man. Hij accepteerde een baan in Groningen terwijl ze in de buurt van Utrecht woonden – ze werkten eerst allebei in de Randstad – waardoor hij twee nachten per week niet thuis zou zijn. „Hij hield zijn vaste papadag, maar ik weet vrij zeker dat ik dat nooit gedaan zou hebben. Ik zou me rot hebben gevoeld om de kinderen minder te zien.” Heeft ze Het vrouwenbrein ook geschreven om zichzelf beter te snappen?

Ze is even stil. „Je denkt al gauw dat je geen goede moeder bent en dat vond ik altijd een vreselijk idee, geen goede moeder zijn. Maar als je bedoelt dat dat door de biologie zou komen, nee, dat geloof ik niet. Het zou enorm geholpen hebben als de voorzieningen voor kinderopvang beter waren geweest, zoals in Frankrijk of Zweden, waar het normaal is dat kinderen hele dagen op school zijn, en daar ook kunnen sporten en warm eten. In Nederland krijg je het gevoel dat je je kind iets aandoet als je het naar de naschoolse opvang stuurt.”

Ze hoopt eerder, zegt ze, dat vaders met dochters haar boek lezen en hun dochters dan zullen helpen om meer bravoure te ontwikkelen, meer gevoel van eigenwaarde. „Natuurlijk ben je slim! Natuurlijk kun je dat!” Spelletjes doen om het ruimtelijk voorstellingsvermogen te verbeteren, ook belangrijk.

En moeders met zoons? Moeten zij hen niet helpen om beter te plannen en hun impulsen onder controle te krijgen?

„Die vaardigheden zijn niet zo gemakkelijk te trainen wanneer de hersenen nog niet rijp zijn. Jongens zouden beter geholpen zijn als het onderwijssysteem daar meer rekening mee houdt. Daar kunnen moeders weinig aan doen.”