Opinie

Nieuwe strengheid afkondigen is vragen om moeilijkheden

Coronacrisis

Commentaar

Politie en bijzondere opsporingsambtenaren gaan gecoördineerd en vooral ook strenger optreden tegen overtreders van de corona-maatregelen, zo spraken kabinet en burgemeesters deze week af. Het markeert de ernst van de tweede golf besmettingen. Er is een breed besef dat burger en overheid de positieve resultaten van de eerste lockdown uit handen lieten vallen door nonchalance, risico-onderschatting en wellicht weerzin tegen de inperking van de vrijheid. Met als resultaat een alarmerende stijging van besmettingen en snel oplopende druk op ziekenhuizen. De verhoudingen komen nu op scherp. Her en der worden meer ‘korte lontjes’ gesignaleerd dan al het geval was – agressie tegen dienstverleners en controleurs, bedreigingen en scheldpartijen tegen bestuurders.

Lees ook:Aan de politie wordt altijd meer gevraagd dan ze aan kan

In dit gespannen klimaat mogen politie en boa’s nu ‘een stap naar voren’ doen. Afstappen op álle groepen op straat, niet alleen meer ingrijpen bij excessen. Maar zichtbaar, hoorbaar en voelbaar controleren. Wie gewaarschuwd wordt moet z’n naam opgeven – er komt dus een database van weerspannige burgers. Er zijn nieuwe strengere regels om te handhaven – een ‘alcohol- en wietklok’, verder ingeperkte groepsgroottes, een ‘schreeuw- en zingverbod’. Het dringende mondkapjes-advies is straks een wettelijke plicht.

Lees ook: De coronacrisis maakt van de boa de nieuwe wijkagent

Daarmee gaat het crisisbeleid een nieuwe fase in. Naast het fluwelen ‘samen krijgen we corona onder controle’ komt het stugge ‘heeft u een ID bij zich?’ Gevolgd door een gedragsaanwijzing en/of een boete. Dit wordt een praktijktest voor de handhaving, die premier Rutte overigens eerder zoveel mogelijk uit de weg wenste te gaan. In eerdere persconferenties benadrukte de premier zelfregulering ook door de effectiviteit van politie-inzet te relativeren. Nederland zou ook in coronatijd geen land met een politieman ‘voor elke deur’ hoeven zijn. En overigens ook niet kunnen zijn, zo erkende hij. Dat was niet alleen een kwestie van ‘volksaard’, maar ook van capaciteit.

Nu het kennelijk wel zover is, wordt Ruttes terughoudendheid voluit bevestigd door de vakbonden van politie en boa’s. Zij beoordelen de keuze voor meer repressie hardop als een illusie, onuitvoerbaar, zelfs ‘van de praktijk losgezongen’. Daarbij klinkt de nodige weerzin door, tegen die nieuwe strengheid. Recalcitrante jongeren aanspreken op de grootte van hun groepje? Juist nu het messenarsenaal op straat snel groeit? Een schreeuw- en zingverbod handhaven?

De boa-bond wijst dan steevast op het probleem van de ‘lege riem’, waar het graag een wapenstok aan ziet. Het zou van de boa nog meer dan nu een lokale échte politie maken. Maar dan nog zonder de gewenste training, betaling en bevoegdheden – die volgen dan wel uit de wapenstok, zo lijkt de tactiek. De nationale politie kaart even ritueel onderbezetting aan, de terugtrekking uit buurten en dorpen en daarmee het verdwijnen van het buurtagentmodel. De nationale politie wordt zo steeds meer een centrale rijksdienst, die lokaal coronaklappen mag komen geven. Als dit inderdaad de stemming op de werkvloer is, dan wordt die ‘stap vooruit’ hooguit een aarzelend pasje.

De ‘handhaving’ aarzelt, piept en knarst, zo mag worden geconcludeerd. Van de coronacrisis wordt wel gezegd dat die als contrastvloeistof werkt – het maakt gebreken zichtbaar. De GGD’s blijken in de crisispraktijk tegen te vallen. De IC-capaciteit bleek wel héél snel vol, de zorglogistiek haperde – en nu mag de handhaving laten zien wat het kan. De verwachtingen kunnen niet hooggespannen zijn.