Opinie

Het einde van mijn Amerikaanse droom

In de aanloop naar de verkiezingen vraagt zich af of hij nog in de Verenigde Staten kan geloven. De twijfel slaat niet voor het eerst toe.

Michel Kerres

Ik was net achttien toen ik voor het eerst naar de Verenigde Staten ging. Jaar studeren in de Midwest. Op eigen houtje was ik nooit verder gekomen dan de Friese meren en nu ging mijn eerste vlucht meteen transatlantisch naar het land dat ik bewonderde. Ze hadden daar alles wat ik alleen van tv kende: achtbaanswegen en cola in overvloed. Kort voor vertrek lanceerden ze óók nog Space Shuttle Columbia. Een ruimteveer! Ik kon me niet voorstellen dat je in een ander land wilde wonen.

Onderweg ging het al mis met de liefde. Het luchtruim was ernstig ontregeld omdat president Reagan duizenden luchtverkeersleiders had ontslagen. In Toledo zaten de mannen van vakbond Patco met protestborden bij de ingang van de luchthaven. Ze leerden me backgammon te spelen en samen keken we naar voorbij razende automobilisten die joelend met hun duim naar beneden wezen.

Reagan had het ondenkbare gedaan – georganiseerde werknemers tijdens een staking ontslaan - en zo de spelregels voorgoed veranderd. Na de nederlaag van de verkeersleiders zou het aantal stakingen in de VS pijlsnel dalen. Voor vakbonden was in het neoliberalisme van de oud-filmster geen plek. Reagan, erger kon het niet worden.

Het land van de Space Shuttle was een hard land. Na Kerst keerde een medestudent niet meer terug, omdat haar vader zijn baan kwijt was. Op een avond raakte ik verzeild op een feest van de Black Student Union, waar me vriendelijk de deur werd gewezen. Waarom hadden we in Nederland wel een punt gemaakt van Apartheid in Zuid-Afrika en niet van segregatie in de VS?

De reis was het begin van een levenslange haat-liefde verhouding. In de zomer van 1988 was ik er terug, net op tijd om de twintigste jaardag van ‘Chicago ’68’ mee te krijgen. In 1968 was protest tegen de Vietnamoorlog in Chicago uitgelopen op een kleine stadsoorlog. De Yippies, politiek bevlogen wereldburgers, botsten er op burgemeester Daley, die politiek zag als het ruilen van gunsten en die niet verder keek dan zijn eigen stad. De confrontatie ging gepaard met buitensporig politiegeweld en vilein racisme. Het harde land was ook een gespleten land, leerde ik. (De botsing is fraai verfilmd als The Trial of the Chicago 7, nu op Netflix.)

De VS trokken aan en stootten af. De leugens over de Irak-oorlog voelden als bedrog door een goede vriend. De keuze voor de eerste zwarte president was een feestje. De afgelopen vier jaar waren opnieuw ontnuchterend. De nieuwe president had autocratische trekken. Politiegeweld en racisme bereikten nieuwe dieptepunten.

Als hobby-Amerikanist had ik natuurlijk moeten weten: ook Trump is Amerika. Er zijn veel Amerikanen die geen oog hebben voor praatjes over gelijkwaardigheid of democratie, mensen die in de Midwest proberen te overleven, niet verder kijken dan hun stad en dromen van rijkdom.

Als we de VS als moreel baken even vergeten, dan is er, troostte ik me, altijd nog de onweerstaanbare droom van de bordenwasser. Maar ook daar hapert iets. De meeste rijke mensen (30 miljoen dollar plus) wonen volgens het Wealth Report nog steeds in de VS. Maar de kans om je uit armoede te bevrijden, de sociale mobiliteit, is in Noord-Europa – inclusief Nederland – véél groter dan in de VS. Denemarken scoort op een ranglijst van het World Economic Forum het beste, de VS komen op plaats 27. Wat blijft er over van de Amerikaanse droom als de bordenwassers eigenlijk beter af zijn in Kopenhagen?

Redacteur geopolitiek Michel Kerres en Oost-Europa-deskundige Hubert Smeets schrijven hier afwisselend over de kantelende wereldorde.