Recensie

Recensie

Waarom we de opkomst van vrouwenhatende mannen serieuzer moeten nemen

Mannen De opvattingen van ongewenst vrijgezelle mannen over vrouwen hebben een kwalijke uitwerking op het algemeen bewustzijn. Daarom wordt het hoog tijd voor een nieuw soort mannelijkheid, een die minder schade aanricht.

Illustratie: Anne Caesar van Wieren

Een van de aantrekkelijke kanten van Michel Houellebecqs schrijverschap is dat hij lijkt te weten wat de toekomst met ons voor heeft. Neem de schepping van Raphaël Tisserand, personage in zijn romandebuut De wereld als markt en strijd. Tisserand, op de flap geïntroduceerd als iemand die ‘oerlelijk is en niet aan de vrouw kan komen’ is al onder ons sinds 1994, maar we weten pas sinds kort ‘wat’ hij eigenlijk is, welk woord bij uitstek op hem van toepassing is.

Er bestaat – het was Marja Pruis die ons er in de essaybundel Jongens waren we op attendeerde – namelijk gewoon een naam voor mannen als Raphaël: incel. De Britse, feministische schrijfster Laura Bates besteedt in haar laatste boek Men Who Hate Women een heel hoofdstuk aan deze zogenoemde involuntary celibates, oftewel onvrijwillig celibatairen, aan de jonge heteroseksuele mannen die nooit of langere tijd geen seks hebben gehad, die de hoop erop hebben opgegeven, die nu vrouwen haten en daar online, in chatgroepen met dichtgetrokken gordijnen, uiting aan geven in dubieuze theorieën. In de meeste gevallen schijnen ze een witte huidskleur te hebben en houden ze er naast misogyne ook racistische overtuigingen op na.

Incels, sommige incels, zijn geen onschuldige loners, zijn geen digitale nazaten van de alleenstaande mannen die je vroeger aan de hoek van de bar gefrustreerd een bierglas zag volpraten. Uit ‘naam’ van de beweging reed op 23 april 2018 Alek Minassian bijvoorbeeld met een busje tien mensen dood in Toronto. Het laatste wapenfeit geldt de 23-jarige Amerikaan Cole Carini, die afgelopen juni in het ziekenhuis belandde toen een door hemzelf gefabriceerde bom onverhoeds ontplofte. Carini had er, zo verklaarde hij, een paar ‘hete cheerleaders’ mee willen opblazen, maar het werd één van zijn eigen handen.

Bates, die al een paar boeken over seksisme en feminisme afleverde, verdiepte zich uitvoerig in de incels. Zo legde ze onder het alias ‘Alex’ haar oor te luister in de betreffende chatgroepen om te onderzoeken hoe hard het eraan toegaat. Het zal niet verbazen dat ze schrok en ze citeert rijkelijk uit de dampende gierput.

Volgens Bates is het hoog tijd om incels, maar ook de andere mannen die ze onder de loep neemt, een stuk ernstiger te nemen dan we nu doen. De vrouwenhaat, of dat nu die van de incel is, van de weerzinwekkend opdringerige ‘versiergoeroe’ Julien Blanc of van de mannen die Bates met rabiate haatmails bestoken, beïnvloedt de werkelijkheid, stimuleert of ondersteunt de mannen die een stap verder willen gaan dan woorden.

Weigeren met één vrouw te zijn

Het meest overtuigend is ze wat dit betreft bij de behandeling van politieke leiders en mensen (nou ja, mannen, natuurlijk) die zich dicht bij die leiders bevinden, zoals de gewezen Trump-fluisteraar Steve Bannon. Dan is het het meest aannemelijk dat verwerpelijke opvattingen over vrouwen inderdaad een kwalijke uitwerking hebben op wat Bates de ‘mainstream consciousness’ noemt, het gemeenschappelijk bewustzijn. Als de president van de VS openlijk seksist is, dan zien anderen dat als een rechtvaardiging om het ook te kunnen zijn. Top down.

Daarnaast is haar signalement van iemand als de Amerikaanse vicepresident Mike Pence scherp, die weigert om één op één met een vrouw af te spreken. Een vorm van loyaliteit aan zijn eigen vrouw, heet het dan, maar zo’n houding bemoeilijkt de kansen voor een journaliste of politica.

Op andere terreinen wordt Bates’ stelling dat de her en der waar te nemen vrouwhatende taal invloed heeft op de werkelijkheid wat problematischer. Internet en de relatieve anonimiteit die dat medium biedt is nog maar zo’n 25 jaar jong, wat betekent dat er ook nog maar net zo kort taal uit weggeplukt kan worden, zoals Bates dat voor haar boek volop deed. Was er minder sprake van talige, opruiende misogynie vóór, laten we zeggen, 1995? The medium is the message, luidt het gezegde op dit gebied, zoals je sinds de opkomst van internet ook opeens volop anti-democratisch, racistisch of xenofoob onkruid uit de akkers kunt trekken, waar dat voordien niet mogelijk was.

Het ontbreekt Bates aan een smoking gun, aan hard bewijs dat er sprake is van een werkelijk georganiseerde vorm van wetsovertredende vrouwenhaat (want haten is immers niet bij wet verboden), maar ook dat de digitale, talige vrouwenhaat een lont in een kruitvat is in plaats van een boksbal om stoom op af te blazen.

Als er één onderwerp in de mode is dit literaire najaar, is het de vereenzaamde, sociaal beperkte jonge man – die, met een non-existent seksleven ook wel incel wordt genoemd. Lees ook: De zelfhulpgoeroe voor jonge mannen zonder seksleven

Waartoe behóórt online-taal, vraag je je af, tot welk genre? Wil men wel wat men zegt te willen? Of is het een vorm van snoeverij of van private fictie, die we met een slag om de arm moeten analyseren, zoals we dat bijvoorbeeld gewend zijn te doen bij literatuur of seksuele fantasieën? En hoe zit het met het verloop van incels? Zwelt de groep alleen maar aan omdat er alsmaar nieuwe wanhopigen bij komen, of zwaait er geregeld een ouderling af?

Nederlandse trend

Maar dat de huidige man niet deugt en dat zijn gedrag bestudering waard is, dat is een opvatting die breed gedeeld wordt. In alleen al de recente Nederlandstalige literatuur regent het voorbeelden: de sleutelscène in Oek de Jongs Zwarte schuur handelt over het verband tussen mannelijke seksualiteit en agressie; in de nieuwste roman van Walter van den Berg treffen we incels aan en Wessel te Gussinklo’s Op weg naar De Hartz werd in deze krant geduid als een verhaal over de vorming van moderne mannelijkheid.

En in twee vertaalde non-fictieboeken openen twee schrijvers, elk op hun eigen manier, de aanval op de man in zijn huidige verschijningsvorm. De Britse beeldend kunstenaar Grayson Perry, laureaat van de Erasmus Prijs, doet dat op een luchtige wijze, in een soort ironisch stijlboek, terwijl de Franse historicus Ivan Jablonka dat met een dik, ernstig en ook somber stemmend boek doet. Het doel van beide auteurs is echter vergelijkbaar: het is tijd voor een nieuw soort mannelijkheid, een mannelijkheid die minder schade aanricht. Of zoals Perry zijn bezwaren samenvat: ‘Soms kijk ik naar het nieuws en denk ik dat alle problemen op de wereld terug zijn te voeren op één ding: het gedrag van mensen met het Y-chromosoom.’

Lees ook het interview met historicus Ivan Jablonka: ‘Laëtitia was slachtoffer van het geweld van mannen tegen vrouwen, gewoon in een vredige democratie’

Perry – deeltijd travestiet – vindt het ‘soms leuk om te doen alsof hij een vrouw is’. Het gaf hem ‘al heel jong het idee dat mannelijkheid optioneel was voor iemand met een piemel’. Op dezelfde pagina noemt hij mannelijkheid, die van zichzelf, ‘dat onbehouwen beest in mij dat ik een leven lang heb proberen te onderdrukken en te vriend te houden’. Het is kenmerkend voor zijn wat dubbele opstelling ten opzichte van het fenomeen. Mannelijkheid, de gedragingen van een man, zijn er bij ons ingehamerd door de cultuur, maar ook weer niet, kennelijk, want op andere momenten klinkt er juist vanzelfsprekendheid door in wat hij tot zijn mannelijke gedrag rekent.

Witte zakenmannen

Perry’s Mannen is soms geestig, maar is ook niet vrij van het soort tongue-in-cheeck-achtige gesuggereer waar krakkemikkige overtuigingen onder schuilgaan. Het zijn dan niet de Y-chromosomen die het moeten bezuren, maar de witte mannen die de statige kantoortorens in Londen bevolken. Dat lijkt me eerder voer voor een gesprek over systeem en wet, niet over geslacht, want van een vrouw wordt in die torens hetzelfde gevraagd. Elders stelt hij dat mannelijkheid neerkomt op ‘op dingen jagen, met dingen vechten en neuken. Al het andere voelt nooit helemaal op z’n plek.’ Wie zo kort door de bocht redeneert heeft geen echte interesse in z’n onderwerp.

Desalniettemin heeft Perry veel vertrouwen in een meer vrouwelijke toekomst. Zijn beklag doend over het gebrek aan vrouwen in de (Britse) politiek stelt hij ‘ervan overtuigd te zijn dat een parlement met vijftig procent vrouwen een heel nieuwe cultuur van leiderschap zou inluiden’. Omdat ze vrouw zijn of omdat ze als vrouw gemaakt zijn? De vrouwelijke toekomst is er één van hoop, zo valt op, in die zin dat vrouwen dan wél heel andere wezens zijn, nobeler wezens, dan mannen.

Van de drie boeken is Jablonka’s boek het meest radicaal, het meest beslist ook. Mannen die deugen laveert tussen essay, pamflet en zwartboek, met als oogmerk het genezen van de man van diens ‘superioriteitscomplex’. Een ambitieus, maar ook driftig streven, dat eigenlijk nergens in het boek adequaat wordt aangelijnd.

Jablonka vliegt kriskras en crossmediaal over de wereld én dwars door tijdsbarrières heen om ons de uitwassen van het alomtegenwoordige patriarchale stelsel voor te schotelen en schrijft net zo goed over de schilderkunst van Gerard Dou, de Latijns-Amerikaanse barbecue-gebruiken of de paardrijkunsten ten tijde van de Botajcultuur in Kazachstan. De gemene deler is uiteraard de ontstane onmacht van de vrouw, die zich tevreden moest stellen met onbenullige, weinig in het oog springende en vaak onbetaalde bezigheden.

Zelfmoordcijfers

Dat die optelsom klopt, daar voert hij genoeg bewijs voor aan, maar tegelijkertijd bezwijkt Jablonka’s overredingskracht onder het gewicht van de data. Waarschijnlijk was er over de Latijns-Amerikaanse barbecue-cultuur alleen al een treffend, evenwichtiger boek te schrijven, een met hier en daar een kanttekening, want nu is het wel erg overzichtelijk allemaal.

Wat met deze aanpak ook frappeert is dat religie weliswaar behandeld wordt, maar minder grondig dan verwacht. Zou de secularisatie van het Westen nou niet enorm hebben bijgedragen aan de gelijke behandeling van mannen en vrouwen? En zou het je beroepen op een heilig schrift niet een flinke factor zijn in het onderhoud van het patriarchaat? In die zin is Jablonka, die zich met recht de boze witte man van het feminisme mag noemen, wat mak en relativistisch – wie weet omdat hij dan niet alleen tegen het christendom uit zou moeten varen.

Lees ook: Dit boek biedt genoeg munitie om alfamannen op feestjes nog jaren de gordijnen in te jagen

Hoe moet het dan wel? Perry ziet mannen als wezens die door hun vorming emotioneel gemankeerd zijn en daarom met de botte bijl in het rond zwaaien of een bijl zouden willen hebben. Voor de duidelijkheid: de man zelf gaat evengoed gebukt onder deze korsettering van angst (want dat is het eigenlijk), want wereldwijd zijn de zelfmoordcijfers onder (jonge) mannen vele malen hoger dan bij vrouwen.

Hartfalen

Perry verwijst met graagte naar de zogenaamde ‘schuurtjesmannenbeweging’, een bescheiden cultus, begonnen in Australië, die wordt gevormd door mannen die in schuurtjes bij elkaar komen om over hun gevoelens te praten. Na zoiets is het lastig om níét aan Koot en Bie te denken, maar je begrijpt Perry wel. Hij weet zelf zijn woede ook maar moeilijk in woorden om te zetten als zijn buurman kabaal maakt.

Jablonka is pragmatischer. Het patriarchaat moet ten val worden gebracht en daarvoor moeten mythes sneuvelen, zoals die ene over dat unieke zorgtalent van de vrouw. ‘Op de dag dat wordt bewezen dat een jong kind de moeder harder nodig heeft dan de vader, keren we terug naar het model van de mannelijke kostwinner en beperkt de vrouw zich uit vrije wil weer tot haar traditionele vrouwelijke taken.’ Die nemen we ter harte. Gevaar ziet hij in een louter positief beeld van de vrouw, wat hem siert. Het aanmoedigen van vrouwen om de zweep op de werkvloer over te nemen van mannen, dat is wat al te simpel, want dan gaan ze straks alleen maar gebukt onder de kwalen (agressie, hartfalen) die we voorheen aan mannen toeschreven. ‘Alles bij elkaar heb je meer aan een feministische man’, aldus Jablonka, ‘dan aan een vrouw die medeplichtig is aan het patriarchaat.’