Onderzoek proefdieren leidt vaak niet tot een artikel

Ethiek Veel proefdieronderzoek leidt niet tot positieve resultaten. Dan nemen wetenschappers niet de moeite om te publiceren.

Een rat in het Nijmeegse Centraal Dierenlaboratorium. In publicaties werd gemiddeld maar zo’n 30 procent van de kleine proefdieren vermeld.
Een rat in het Nijmeegse Centraal Dierenlaboratorium. In publicaties werd gemiddeld maar zo’n 30 procent van de kleine proefdieren vermeld. Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Verreweg de meeste proefdieren die voor biomedisch onderzoek worden gebruikt, belanden nooit in een wetenschappelijke publicatie. Dat concluderen onderzoekers van het UMC Utrecht en het Nijmeegse Radboud UMC in BMJ Open Science, op basis van Nederlandse gegevens. Bijna driekwart van de gebruikte proefdieren blijft onvermeld en zelfs bij onderzoek dat wél gepubliceerd wordt, staan niet altijd alle gebruikte dieren vermeld.

De Nederlandse onderzoekers inventariseerden van 67 proefdierstudies die in 2008 of 2009 bij het UMC Utrecht werden aangemeld hoeveel er uiteindelijk tot een wetenschappelijke publicatie leidden: dat waren er 31 (46 procent). Als conference abstracts (samenvattingen voor presentaties op congressen) ook werden meegeteld, dan lag het totale aantal op 40 (60 procent).

Daarmee raakt het artikel aan een veelbesproken punt: publicatiebias, het verschijnsel dat vooral studies worden gepubliceerd met positieve resultaten. Een studie die aantoont dat een behandeling werkt heeft meer kans gepubliceerd te worden dan een onderzoek dat geen effect vindt. Dat leidt tot discussie, omdat veel wetenschappers vinden dat zulke negatieve uitkomsten net zo goed naar buiten moeten worden gebracht. De zorg bestaat dat er een vertekend beeld ontstaat over wat werkt en wat niet, en dat het tot verspilling leidt van tijd en geld doordat meerdere onderzoekers wellicht dezelfde hypothese testen.

Ethische commissie

Juist binnen het biomedisch onderzoek raakt die publicatiebias aan een ander heikel punt: het gebruik van proefdieren. Ook daarover is al jaren discussie, en er wordt onderzocht hoe er met minder proefdieren kan worden gewerkt. Zo publiceerde de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen in 2019 nog een inventarisatierapport met de titel Het belang van dierproeven en mogelijkheden tot vermindering daarvan in fundamenteel-neurowetenschappelijk onderzoek.

Wetenschappers die proefdieren willen gebruiken moeten daarvoor een aanvraag indienen bij een ethische commissie, waarin ze aangeven hoeveel dieren ze willen gebruiken en wat ze ermee doen. Dergelijke aanvragen zijn vertrouwelijk, maar de auteurs van de huidige publicatie kregen toestemming om de gegevens in te zien als per aanvraag ten minste één van de betrokken onderzoekers akkoord ging.

Zodoende kwamen ze uit bij de 67 aangemelde studies, die in totaal van 5.590 proefdieren gebruikmaakten. Daarvan werden uiteindelijk 1.471 dieren beschreven in de 40 publicaties en presentaties. In die 40 studies waren in totaal 4.402 proefdieren gebruikt.

Vooral kleine proefdieren (muizen, ratten en konijnen) komen er vaak bekaaid vanaf: in de publicaties werd gemiddeld maar zo’n 30 procent van deze dieren vermeld. Bij proeven met grotere dieren (varkens, honden, schapen) wordt iets meer dan 70 procent van de dieren vermeld. „We hebben niet in detail onderzocht waarom die dieren onvermeld zijn gebleven”, vertellen auteurs Mira van der Naald (UMC Utrecht) en Kimberley Wever (Radboud Universiteit) aan de telefoon. „We wilden vooral inventariseren hoeveel proefdierstudies uiteindelijk gepubliceerd werden.”

Neutrale data hoeven geen reden te vormen om niet te publiceren

Kimberley Wever Radboud Universiteit

Na hun analyse van de proefdieraantallen stuurden Van der Naald, Wever en hun collega’s de onderzoekers van de 67 studies een vragenlijst, waarin ze onder meer vroegen wat de reden was dat een onderzoek niet werd gepubliceerd. Veelal ging het om het ontbreken van statistisch relevante positieve resultaten, of betrof het een verkennende pilotstudie. Maar ook dergelijke studies zijn waardevol voor de wetenschap, zegt Wever. „Neutrale data of pilotstudies hoeven geen reden te vormen om een onderzoek niet te publiceren.”

Hoewel het huidige onderzoek alleen op de Nederlandse publicaties ingaat, vermoeden de auteurs dat in het buitenland soortgelijke situaties spelen. Wereldwijd zou het om miljoenen ‘verdwenen’ proefdieren kunnen gaan. Van der Naald: „Elk land kent zijn eigen richtlijnen. In sommige landen is geen ethische commissie, of hoeven bepaalde proefdieren niet eens geregistreerd te worden.”

Vooraf registreren

Volgens de auteurs is het belangrijk om proefdieronderzoek wereldwijd transparanter te maken. Daartoe hebben ze in 2018 zelf een website gelanceerd, preclinicaltrials.eu. Daarop kunnen onderzoekers hun eigen proefdieronderzoek registreren voordat het is uitgevoerd. Wever: „De eerste early adopters hebben zich al aangemeld, en we hopen dat steeds meer biomedici zich zullen aansluiten.” Van der Naald: „In Nederland is er al veel draagvlak, ook vanuit de politiek en de wetenschapsfinanciers. Nu de rest van de wereld nog.”

Volgens Frans Stafleu, universitair docent dierethiek aan de Universiteit Utrecht, haakt het onderzoek in op een huidige geloofwaardigheidscrisis in de wetenschap. „Het blijkt dat de meeste dierproeven niet goed te ‘vertalen’ zijn naar de mens en één van de oorzaken daarvan is bias. Wetenschappers denken vaak dat ze boven elke vorm van bias verheven zijn, maar dat is dus niet zo. Zo’n preregistratie kan dan een goede stok achter de deur zijn om niet af te wijken van het oorspronkelijke plan. De auteurs van dit artikel laten dat mooi zien.”