Nu kunnen we meekijken over de schouder van Erasmus

Boeken Tijdens zijn omzwervingen in Europa schreef Erasmus duizenden brieven. Deze maand voltooide de Rotterdamse uitgeverij Ad. Donker. de vertaling ervan. „Alleen Voltaire en Tolstoi komen misschien in Erasmus’ richting.”

Foto Dirk Visbach

Als er iemand heeft bestaan die perfect paste in de tijd waarin hij leefde, was het Desiderius Erasmus. De Renaissance met haar opbloei van kunst en wetenschap, haar boekdrukkunst en culturele herwaardering van de klassieke Oudheid, het moet voor de Rotterdamse geleerde een warm bad zijn geweest.

Wie de twintig banden tellende Correspondentie van Desiderius Erasmus doorbladert – deze maand door de Rotterdame uitgeverij Ad. Donker gecompleteerd met een register – ziet dat kind van de Renaissance levendig voor zich opdoemen. De filosoof Erasmus verhief brieven schrijven tot een kunst à la Cicero, en Plinius in de Oudheid.

Het licht van de Renaissance moest het duister, het obscurantisme van de door Erasmus verfoeide Middeleeuwen verdrijven. Ook in de katholieke kerk, waarvan hij priester was. Weg met alle uiterlijkheden en praalzucht en terug naar de bron: de Evangeliën en de brieven van Paulus. De Dordtse historicus dr. István Bejczy, die als vertaler bij het Erasmus-project was betrokken, formuleert het aldus: „Erasmus vond dat de westerse cultuur sinds de klassieke Oudheid alleen maar achteruit was gehold. Hij stelde zich de niet geringe opdracht om de beschaving te redden van de ondergang.”

Willem A. Donker: 80 jaar buitenstaander

Erasmus’ uit het Latijn vertaalde brieven glinsteren als diamanten. Schitterend en vol van erudiete bespiegelingen, vileine spot en pakkende paradoxen, zoals eeuwen later ook beproefd door o.a. Oscar Wilde. Voorbeeld van zo’n paradox: in 1526 schrijft Erasmus aan de Leuvense rector Nicolas Wary: „IJzer maakt de gemoederen strijdlustig, vooral wanneer er geen gevaar is.” Het is een brief waarin Erasmus het buskruit aanvalt – dat was dan een moderne vinding waar hij minder op gesteld was – en ook hier trekt hij een vergelijking met de Oudheid. „Plato denkt dat het van groot belang is welk soort muziek door de staat gebruikt wordt; wat zou hij zeggen als hij deze muziek (het buskruit dus, W.P.) bij de christenen hoorde?”

Deze maand ontving de koning de volledige collectie brieven. Foto Frank van Beek

Rusteloos

De reeks van ruim 3.100 brieven van en aan Erasmus begint in het jaar 1484, wanneer hij verbitterd wegens te weinig erkenning Holland verlaat, en eindigt in zijn sterfjaar 1536. Rusteloos trekt hij door Europa. Niet alleen om de grootheden van zijn tijd te bezoeken, zoals mede-humanist Thomas More, koning Filips de Schone en later diens zoon keizer Karel V, van wie hij raadsheer wordt, maar ook omdat het hem als katholiek theoloog soms te heet onder de voeten wordt. Zo verlaat hij Bazel nadat het stadsbestuur voor Luther heeft gekozen, en vestigt hij zich in Freiburg, dat onder de heerschappij van Karel V valt, keizer van het Heilige Roomse Rijk.

In zijn correspondentie steekt Erasmus zijn goede contacten („geluncht met de koning van Denemarken”) niet onder stoelen of banken. Je zou hem een netwerker avant la lettre kunnen noemen. Aan paus Leo X laat de wijsgeer weten dat de Engelse koning Hendrik VIII hem eigenhandig een brief heeft geschreven, en de secretaris van de Poolse koning krijgt weer te horen dat paus Leo X hem goed gezind is. „Hij was onovertroffen in zelfpromotie”, zegt Bejczy. „Bij een schrijver van minder grote allure zou je je eraan ergeren, maar bij Erasmus is het kostelijk. In die Poolse brief bijvoorbeeld verpakt hij zijn grootspraak als altruïsme. Na eerst zijn grote roem uit de doeken te hebben gedaan, bericht hij: pas op voor bedriegers die van mijn beroemde naam misbruik willen maken.”

Iedereen zijn eigen Erasmus

Maar Erasmus had nóg een reden om voortdurend met indrukwekkende namen te schermen. Omdat hij in de Reformatie, dé kwestie van zijn tijd, niet duidelijk partij koos voor of tegen Luther, zaten katholieke collega-theologen hem op de hielen. Bejczy: „Om niet door de universiteit van Leuven of de conservatieve Sorbonne als ketter te worden gebrandmerkt, was het voor Erasmus van levensbelang dat wijd en zijd bekend werd dat paus en bisschoppen achter hem stonden. Daarmee wilde hij zijn tegenstanders waarschuwen: wie zijn jullie nu helemaal, jullie derderangs godgeleerden, van wie nog nooit iemand heeft gehoord? Daarbij hielp dat Erasmus dankzij de boekdrukkunst zijn brieven ruim kon verspreiden. Hij schreef ze ook echt met het oog op een groot publiek.”

Erasmus door beeldhouwer Hendrick de Keyser is waarschijnlijk het oudste bronzen standbeeld in het land. Foto Peter Hilz

En tot dat grote publiek behoort nu ook de Nederlandse en Vlaamse lezer, die dankzij uitgeverij Ad. Donker geen enkele brief van de humanistische wijsgeer meer hoeft te missen. Want het is een bundeling van nagenoeg álle correspondentie van Erasmus, met een flink notenapparaat. Wijlen Willem Donker zei in 2001 in een „onbewaakt ogenblik” ja tegen het mammoetproject, omdat hij zich als Rotterdammer verplicht voelde tegenover die andere Rotterdammer, Erasmus. Na Donkers dood in 2018 maakte zijn weduwe Jos Exler het magnum opus af.

Een hele batterij vertalers boog zich over de Latijnse teksten – destijds de taal der academici – die ooit met monnikengeduld waren verzameld door de Britse classicus P.S. Allen (1869-1933). Naast István Bejczy was dr. Jan Bedaux een van hen. „Als classicus was ik erop gebrand om van het Latijn goed leesbaar, of in de woorden van Willem Donker, „onberispelijk” Nederlands te maken. Een zeer prettige bezigheid, vooral omdat Erasmus zo weergaloos schrijft: zorgvuldig en met een grote variatie in woordkeus. Wat niet wegneemt dat sommige brieven qua grammatica en context best lastig waren. Maar gelukkig kon ik voor het eerste terugvallen op Franse en voor het tweede op Engelse vertalingen.”

Twee zielen

Van alle door hem vertaalde brieven vindt Bedaux die aan Marcus Laurijn, deken te Brugge, het meest representatief voor Erasmus. In dat geschrift uit 1523 laat de humanist zich van alle kanten kennen: zijn rusteloosheid en aanhoudend gereis („burger van de hele wereld en niet van één stad”), zijn zorgen over geld („het jaargeld van de keizer is mij vervroegd uitbetaald”) en zijn zwakke gezondheid („zo slecht vergaat het mij met Duitse kachels”). Vanwege zijn nierstenen overweegt hij over te stappen op Bourgondische wijn.

Maar ook maakt Erasmus gewag van zijn aangeboren neiging om ruzies uit de weg te gaan. Hij was, noteert hij, afwezig op de Rijksdag in Worms om maar niet betrokken te raken in het conflict rond de Reformatie. Uniek in dit negende deel is Erasmus’ volledige briefwisseling met de enige Nederlandse paus ooit, Adrianus VI. Erasmus vraagt de kerkvorst hem niet te veroordelen wegens ketterij alvorens er samen over te hebben gesproken.

Erasmus denkt, zo schrijft hij aan Laurijn, te beschikken over dezelfde „natuurlijke zoetigheid”, waarvan in het Bijbelboek Rechters sprake is. Toch is hij in zijn brieven vaak vlijmscherp. Hoe is dat te rijmen? Bedaux: „Er huisden twee zielen in zijn borst. Hij was lichtgeraakt en lastig, maar had een grote afkeer van oorlog. Zelfingenomen en ijdel, maar voorstander van redelijkheid en nederigheid. Het is állemaal Erasmus. We leren hem in zijn correspondentie kennen in zijn grootsheid én kleinheid. Dat is het mooie van deze bundeling.”

Of, zoals Bejczy het onder woorden brengt: „De lezer krijgt toegang tot de meest invloedrijke geleerde ooit. Alleen Voltaire en Tolstoi komen misschien in zijn richting. Dankzij de brieven zijn we nu in staat vrijwel van dag tot dag over Erasmus’ schouder mee te kijken. En we kunnen eruit leren dat het verstandig is om gematigd te zijn, nooit in extremen te vervallen.” Bedaux: „En om onafhankelijk te denken.”

Ondanks zijn vredelievendheid had de wijsgeer veel vijanden. Misschien was zijn Franse mede-humanist Guillaume Budé, die Erasmus’ geschriften futiel noemde, wel zijn vurigste. Bedaux: „Erasmus verkeerde op gelijke voet met de groten van zijn tijd, maar hij hoorde nergens écht bij. Hij was welbeschouwd een eenzaam man.”