Tom Pilston

Interview

‘Mijn werkdag begon om vijf uur en eindigde rond lunchtijd’

Robert Harris De nieuwe roman van de Britse schrijver Robert Harris speelt zich af in Den Haag tijdens de Tweede Wereldoorlog. „Dat dreigende, onzichtbare gevaar van toen beleven we nu weer.”

Als Robert Harris ’s ochtends The Times openslaat, bekijkt hij altijd eerst de necrologieën. „Het zal de leeftijd wel zijn”, zegt hij. Op 5 december 2016 stuitte hij op het overlijdensbericht van de 95-jarige Eileen Younghusband. Tijdens de Tweede Wereldoorlog diende zij bij een eenheid van de Women’s Auxiliary Air Force (WAAF) die met ingewikkelde wiskundige berekeningen moest achterhalen waarvandaan de Duitsers hun V2-raketten afschoten op Londen. Harris: „Ik had nog nooit gehoord van die eenheid en was meteen gefascineerd: hier zat een boek in.”

Harris (1957) zit in zijn Londense appartement voor de webcam. Het is een dag voordat Londen in lockdown gaat, en hij maakt zich op om te vertrekken naar zijn huis op het platteland. In zijn ene hand houdt hij een kop thee, in de andere een sigaar. Daar neemt hij tijdens het gesprek maar een paar trekjes van, en met veel enthousiasme vertelt hij meteen over zijn nieuwe roman V2. „Alle grote namen uit de oorlog – de generaals, de politici, de helden – zijn inmiddels dood. Dat maakt dat de schijnwerpers op mensen worden gericht die tot nu toe onbekend zijn gebleven. Iemand als Eileen Younghusband had tien à twintig jaar geleden misschien helemaal geen necrologie gekregen, maar nu wel. Dat is mooi, want het laat zien dat er nog steeds nieuwe verhalen over de Tweede Wereldoorlog te vertellen zijn.”

V2 speelt zich af in Londen, Mechelen en de omgeving van Den Haag. We volgen de Engelse WAAF, Kay Caton-Walsh en de Duitse ingenieur Rudi Graf, fictieve personen te midden van echt bestaande figuren uit de oorlog. Caton-Walsh werkt bij een eenheid die op luchtfoto’s speurt naar locaties waar de nazi’s hun V2-raketten ontwikkelen, bouwen en – vanaf september 1944 – afvuren. Zonder veel succes. Vanaf het moment dat de Britten erin slagen om met een radar de positie van zo’n raket in vlucht te bepalen, wordt het mogelijk om gecombineerd met het inslagpunt de parabolische curve te berekenen waarlangs het gevaarte gevlogen heeft – en dus de plek te achterhalen waar hij is afgeschoten.

Bij een radarpost in het recent bevrijde Mechelen hebben acht vrouwen, onder wie Caton-Walsh, zes minuten de tijd om de positie van de afvuurplek te bepalen en de Royal Air Force er voor een bombardement op af te sturen. De lanceerinstallaties bevinden zich, zo blijkt, allemaal in de buurt van Den Haag, waar Rudi Graf zijn best moet doen zoveel mogelijk raketten per dag af te vuren, hoewel hij niet gelooft in óf hoopt op een Duitse overwinning.

Wat trok u aan in dit onderwerp?

„Mijn boeken gaan vaak over mensen die zijdelings met grote gebeurtenissen te maken hebben: de ghostwriter van een premier, de secretaris van Cicero, een ingenieur in Pompeï. Kay is zo’n figuur, hoewel ze belangrijk werk doet. Met niet meer dan een vel papier en een rekenlineaal moet ze razendsnel en onder grote druk de lanceerplaats van de afgevuurde V2’s zien te achterhalen. Die installaties veranderen constant van plek en zijn maximaal twee meter in doorsnee: bijna onvindbaar dus. De tragedie is dat het werk van Kay en haar collega’s uiteindelijk tot niets leidt. De RAF kan niet nauwkeurig genoeg bombarderen en gaat daarom over op tapijtbombardementen, die in Den Haag veel burgerslachtoffers maken. Uiteindelijk stoppen de V2-beschietingen pas in maart 1945.

„Het personage van Rudi Graf vond ik interessant, omdat hij symbool staat voor wetenschappers die een Faustiaans pact sluiten met politici. Graf wil een raket bouwen om naar de sterren te vliegen. Het maakt hem eigenlijk niet zo veel uit dat de nazi’s zijn onderzoek financieren. Pas op het moment dat de SS het project overneemt en ondergrondse raketfabrieken bouwt waarbij tienduizenden dwangarbeiders om het leven komen, krijgt hij berouw – maar dan is het te laat.

Er zijn rapporten van Gestapo-verklikkers overgeleverd waarin ook andere wetenschappers die betrokken waren bij het V2-project spijt betuigden. Wernher von Braun, de wetenschappelijk leider van het project, lijkt deze bezwaren trouwens niet te hebben gehad. Hij wilde zijn raketten bouwen, koste wat kost.”

Was hij een oorlogsmisdadiger?

„Ik weet het niet. Hij heeft geen orders gegeven om dwangarbeiders in te zetten voor de bouw van de V2’s, maar hij is vaak in de fabriek in de bergen bij Nordhausen geweest zonder ooit bezwaar te hebben gemaakt. De Amerikanen zaten daar niet mee, want hij speelde na de oorlog een belangrijke rol in hun Apollo-ruimteprogramma.”

Hoe heeft u uw onderzoek voor dit boek gedaan?

„Eileen Younghusband heeft memoires gepubliceerd; die waren mijn uitgangspunt. Daarna ben ik op zoek gegaan naar meer informatie. Over de V2-bombardementen is veel geschreven, maar over de mannen die de raketten afvuurden bijna niets. Ik ben maar één boek met getuigenissen tegengekomen, naast de memoires van Walter Dornberger, de Duitse generaal die het V2-programma leidde. Ik was in 2016 nog bezig met het schrijven van München 1938 en daarna met De tweede slaap, maar eind vorig jaar was ik te gast bij het Crossing Border Festival in Den Haag en kon ik ter plaatse met mijn onderzoek beginnen.

„Ik ben langs Scheveningen en Wassenaar gereden, waar veel raketten zijn afgevuurd. Het was vreselijk weer dat weekend: kou en regen kwamen van de Noordzee aangewaaid. Dit is perfect, dacht ik, zo gaat de beginscène van het boek eruitzien! Ik was van plan om nog een keer terug te komen en ook Mechelen te bezoeken, maar dat kwam er niet meer van toen corona toesloeg. Ik heb het dus moeten doen met oude foto’s, landkaarten, kranten én met mijn fantasie. Ergens was dat ook niet zo erg, want V2 gaat vooral om wat de personages meemaken, denken en voelen. Een flink deel van het boek speelt zich af in de duisternis. De achtergrond is impressionistischer.”

Hoe bent u verder omgegaan met de coronacrisis?

„Met mijn vrouw [schrijfster Gil Hornby] en mijn twee jongste kinderen heb ik me afgezonderd in ons huis op het platteland. Ik was ongeveer op een kwart van het boek toen we in lockdown moesten. Nu speelt het bestaan van een schrijver zich altijd af in een zekere mate van lockdown, maar ik houd toch ook wel van theaterbezoek en ontmoetingen met vrienden. Mijn vrouw noemt me daarom een gezellige kluizenaar. Van schrijven kwam het de eerste drie weken niet meer. Om te kunnen creëren, moet ik recreëren. Schrijven gebeurt voor een groot deel in het onderbewustzijn; je hebt er afleiding voor nodig, maar piekeren over de toestand van de wereld bleek dus niet de juiste afleiding.

„Op een gegeven moment besloot ik dat het genoeg was: aan deze nare periode moest ik ten minste een boek zien over te houden. Binnen drie maanden heb ik toen V2 afgeschreven. Elke dag was hetzelfde: vanaf vijf uur ’s ochtends lag ik wakker in bed over het boek na te denken. Om half acht ging ik naar beneden om vier uur lang geconcentreerd te schrijven. Daarna nam ik een drankje bij de lunch en was de werkdag wel voorbij.”

Hebben de omstandigheden waarin het boek is geschreven de toon beïnvloed?

„Ik denk wel dat iets van de sfeer van de afgelopen maanden in V2 terecht is gekomen. Het gevoel van een dreigend, onzichtbaar gevaar zoals mensen dat in 1944 en 1945 in Londen ervoeren, beleven wij nu ook met corona. Het regent weliswaar geen supersonische raketten met een explosieve lading van een ton, maar het is voor de eerste keer dat mijn generatie collectief zo’n dreiging ervaart.

„Wat ook lijkt op destijds is de aanname dat het allemaal met Kerstmis wel voorbij zal zijn. Dat was in de oorlog niet zo, en dat zal ook nu niet zo zijn. Aan de menselijke psychologie verandert kennelijk weinig: aan een situatie die zo onverteerbaar is, móét wel snel een einde komen.

„De ellende rondom corona is ook in de stijl van V2 gekropen, denk ik. Die is bondiger, met minder franje. En het gevoel van de nachtmerries die veel mensen hebben gehad, komt terug in de scènes waarin de V2’s worden gelanceerd: een gure wereld waarin brullende vlammen een donker bos verlichten en soms – als de lancering mislukt – in lichterlaaie zetten.”

Het schrijven lukt dus weer. Bent u alweer met iets nieuws bezig?

„Zeker, ik speel met twee à drie ideeën, historische romans, maar daar zeg ik nog even niets over. Een idee voor een boek is als een stekje van een plant. Je moet het eerst koesteren en er niet te snel licht en lucht bij laten, anders sterft het af.”

U publiceert de afgelopen jaren steeds vlotter. Hoe komt dat?

„De omslag kwam in 2007 met het schrijven van Geest. Toen ontdekte ik dat je niet per se jaren over een boek hoeft te doen. Zelfs De Officier [over de Dreyfus-affaire], een boek waarin erg veel research zat, heb ik in een half jaar geschreven.

„Er is ook een diepere reden waarom ik zo hard werk. Het is voor mij echt een psychologische noodzaak geworden om verhalen te vertellen, om met mijn fantasie mensen en hun levens vorm te geven. Schrijven is niet ‘leuk’ zoals een vakantie leuk is of een avond uit met vrienden. Soms is het zwaar, frustrerend en eenzaam, maar ik zou voor geen goud iets anders willen doen.”