Recensie

Recensie Boeken

‘Het bokje wordt een stoofpotje, kapitein’

Mathijs Deen Op dit lichtschip werken mannen met bekraste zielen, die wel wat tederheid in hun leven kunnen gebruiken. Dat gebeurt, met de komst van een bokje. Deze mooie novelle (●●●●) werkt langzaam toe naar een noodlotsdrama.
Foto Ingo Boelter / ANP

Ze liggen daar ‘waar een vuurtoren zou moeten zijn’ maar die niet gebouwd kan worden, vertelt Wikipedia – en je voelt al een vleugje tragiek, in dat onmogelijke ‘zou moeten’. Lichtschepen, nu door de technologie overbodig geworden, waren verankerde schepen die de zeevaart extra bakens boden, met aan boord een dieselgenerator voor het licht, een kleine bemanning om het aan te houden en ‘geen schroef, geen motor, op de brug is geen roer, het ligt daar maar wat mistroostig te deinen, een beest dat vergeefs aan de ketting trekt’. Zo toont Mathijs Deen (1962) de Texel, nu een museumstuk, in betere tijden. Wat meteen al tragisch klinkt, als een verháál: in betere tijden lag het stil.

Dat decor, en de types die we ons zó als bemanning voor kunnen stellen, heeft Deen op tamelijk onvergetelijke wijze vereeuwigd in Het lichtschip. Het schip is de ware hoofdpersoon van de novelle, al wordt het verhaal verteld aan de hand van de lotgevallen van de scheepskok, een matroos en een geitenbokje.

Gule kambing, een Indische stoofschotel van geitenvlees, daaraan moet kok Lammert ineens denken, als hij onder het geluid van de dieselgenerator ‘een diepere dreun’ hoort aanzwellen: ‘De kok, die zijn handen om de reling had gelegd, voelde het naderende geluid niet alleen resoneren in de romp van het schip, maar ook ergens in een weinig bezochte uithoek van zijn herinnering.’ Een ware verteller, die Deen, die eerder sensitieve non-fictie schreef over de Wadden en oude wegen, maar ook even zwierige als uitgepuurde fictie (Onder de mensen). De stijl van Het lichtschip doet denken aan de heldere vertelkracht van Hella Haasse, of de glaszuiverheid van H.M. van den Brink – Deen deelt hun tijdloosheid. Het verhaal speelt zich ergens in de jaren zeventig of tachtig af, en had ook toen geschreven kunnen zijn.

Bekraste zielen

Het verhaal is klein: de intrede van een bokje op het lichtschip. Wat moet dat beest daar? ‘Het bokje wordt een stoofpotje, kapitein’, verklaart Lammert. Zoals een lief dier in een roman vrijwel automatisch vertedering oproept, zo doet het aanstaande stoofvlees ook wat met de bemanning. Met dat gehuppel en geklauter, die hoorntjes en ‘naderende hoefjes’ en het ‘gulzig stotend en smekkend’ melkdrinken. Daartegen is het moeilijk weerstand bieden, ook al omdat er wel wat tederheid welkom is in de levens van alle mannen, met hun bekraste zielen.

Lammert heeft een Indië-trauma, of eigenlijk: een malaria die hij nog onder de leden zegt te hebben – alsof de ‘stille kracht’ nog in zijn botten zit. Als de ziekte opspeelt moet hij een paar dagen zijn kooi in, net wanneer er een zware mist komt opzetten.

Zwarte golven

Het zou gemakkelijk sentimenteel kunnen worden, een verhaal met een o zo schattig bokje, met boze ijldromen over een kampverleden en doem die door natuurverschijnselen wordt aangekondigd. Dat dat toch niet stoort, niet cheesy of gemakzuchtig aanvoelt, komt vooral door de stijl van Deen. Hij schrijft tegelijk afgemeten en beeldend, en zoekt zijn waarnemingen en formuleringen voorbij de verwachte clichés (al had het schip wel een keer minder een ‘hulpeloos geketend dier’ genoemd mogen worden). Dat houdt de vertelling fris en levendig. Deen laat de mannen in veelzeggende afgemetenheid naar elkaar brommen, toont gevoelens en karakters in de subtiliteiten van hun formuleringen, hun geschiedenis in terloopsheden. Zoals matroos Gerrit Snoek, wiens eenzaamheid je voelt wanneer hij het bokje onderwijst dat golven zwart worden als ze komen aanrollen. ‘Maar alleen aan jouw kant. Als een gezicht dat betrekt als hij je herkent, zie je wel?’

Binnen zijn compacte bestek werkt Deen naar een noodlotsdrama toe – omdat die stoofschotel er ooit moet komen, omdat de misthoorn dag en nacht doorloeit en omdat de doorgaans dromerige Snoek een aanval van helderheid krijgt. ‘Ik kon nooit wat, en nu ben ik het, die het allemaal moet doen’, bluft hij. Dan neemt het verhaal nog een verrassende wending, al was het maar omdat de focus verschuift: terwijl Lammert ligt te ijlen in zijn kooi, gaat het verhaal, aan dek, ineens om ándere mannen draaien.

Dat voelt even vreemd, maar ondersteunt in wezen juist de kern van Deens gevoelige én mooi doordachte novelle: het gaat om het schip. Dat steeds deint op de golven, maar ook altijd verankerd ligt. Dat weerspiegelen de verhalen van de opvarenden: eigenheimers die aan de ketting liggen, van hun verleden, herinneringen, beperkingen. ‘Een geit wil weg’, bromde Lammert al. Maar hij zit vast.