Waarom er steeds pensioenverlaging dreigt in het ‘beste stelsel ter wereld’

De pensioenkorting Het pensioen van enkele miljoenen (oud-)leerkrachten en zorgmedewerkers lijkt volgend jaar verlaagd te moeten worden. Hoe kan dat? En wat betekent het voor jong en oud? Zeven vragen.

Kralingse Plas in Rotterdam.
Kralingse Plas in Rotterdam. Foto Hans van Rhoon

Het zat er al jaren aan te komen. En nu, midden in een economische crisis en vlak voor de verkiezingen van de Tweede Kamer, lijkt het onvermijdelijk: het pensioen van enkele miljoenen Nederlanders wordt volgend jaar waarschijnlijk verlaagd. Hun pensioenfonds staat er te slecht voor, bleek dinsdag, zelfs volgens de nieuwe, door het kabinet versoepelde, eisen.

Dat geldt onder meer voor de twee grootste fondsen van Nederland, die samen bijna 6 miljoen pensioenen beheren van (oud-)leerkrachten, ambtenaren en zorg- en welzijnpersoneel: ABP en PFZW.

Wat staat gepensioneerden en werknemers nu te wachten? Hoe hoog is de korting? En wat betekent dit voor de overgang op een nieuw pensioenstelsel? Zeven vragen.

1 Waarom gaat het zo slecht met pensioenfondsen?

De onrust op de financiële markten was groot, begin dit jaar. Er was al onzekerheid over de oliemarkt en toen bleek het coronavirus zich ook nog sneller te verspreiden dan verwacht. De rentestand kelderde, evenals de beurskoersen.

Dat kwam hard aan bij de pensioenfondsen. Zorg- en welzijnfonds PFZW had eind vorig jaar een ‘dekkingsgraad’ van bijna 100 procent, waarmee het precies alle toekomstige pensioenuitkeringen kon garanderen. In drie maanden tijd zakte die belangrijke graadmeter naar 83,5 procent.

Op zich hebben de fondsen veel geld in kas: ruim 1.500 miljard euro. Maar het bedrag dat ze volgens de rekenregels nódig hebben is hoger. En dat komt door de lage rente. Als de rente daalt, dan moet een fonds ervan uitgaan dat zijn vermogen langzamer aangroeit. Dus moet het voortaan meer geld in kas hebben om financieel gezond te blijven.

De rente daalt al tientallen jaren, waardoor pensioenfondsen steeds meer geld moeten oppotten.

Daar komt bij dat de meeste pensioenfondsen al jarenlang minder premie vragen dan ze eigenlijk nodig hebben, omdat de premie nu al erg hoog is. Daardoor hoeven werkgevers en werknemers voor iedere euro die nodig is voor hun pensioenopbouw bijvoorbeeld maar 80 cent te betalen. Maar dat betekent dat het fonds de overige 20 cent moet toevoegen vanuit de eigen reserves. Ook dat verslechtert de dekkingsgraad.

2 Wanneer moet een fonds de pensioenen verlagen?

Als het op Oudjaarsdag een dekkingsgraad heeft van minder dan 90 procent. De vier grote pensioenfondsen (ABP, PFZW, PMT, PME) maken dat uiterlijk op 21 januari bekend, als ze met hun jaarverslag komen. Als rond Oudjaarsdag al overduidelijk is dat hun dekkingsgraad te laag is, of juist te hoog, dan kunnen ze dat ook al eerder bekendmaken.

3 Het kabinet had de regels toch versoepeld?

Ja, minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) heeft de afgelopen twee jaar al drie keer een versoepeling doorgevoerd, onder druk van vakbonden en oppositiepartijen in de Tweede Kamer. Volgens de wet moet een fonds alle pensioenen verlagen als zijn dekkingsgraad langdurig lager is dan 104,2 procent.

In het pensioenakkoord van vorig jaar juni beloofde Koolmees alle pensioenfondsen met een dekkingsgraad boven de 100 procent te zullen ontzien. Toen de grote metaalfondsen PMT en PME ook die lagere ondergrens niet leken te redden, kwam Koolmees in november vorig jaar met een nieuwe geste: pensioenfondsen moeten minimaal een dekkingsgraad van 90 procent hebben, dan mogen ze de pensioenverlaging een jaar doorschuiven. Voor dit jaar geldt diezelfde versoepeling, maakte Koolmees in juni bekend.

Zónder deze versoepelingen hadden de metaalfondsen PMT en PME en het pensioenfonds van uitkeringsinstantie UWV dit jaar al moeten korten.

Lees ook: Waarom pensioenen korten zo moeilijk is voor politici

4 Kan deze verlaging nog voorkomen worden?

Het lot van de pensioenfondsen ligt nu in handen van de financiële markten. Hun enige hoop is een rentestijging of hoge beleggingsrendementen. Die kunnen de dekkingsgraad net het zetje geven dat ze zo hard nodig hebben.

Maar de onzekerheid op de financiële markten is nog steeds groot, met de wereldwijde nieuwe opleving van het coronavirus en de onzekerheid rond de Amerikaanse presidentsverkiezingen en de Brexit.

Minister Koolmees wil de kortingsgrens in ieder geval niet nóg lager leggen, zei hij in juli tegen de Tweede Kamer. Hij wil niet riskeren dat fondsen daarna verder wegzakken. „Als je niet naar 90 procent teruggaat”, zei hij, „is het risico heel groot dat zo’n fonds een sinking giant wordt en dus steeds slechter af is. Dan blijven de werkenden en de jongeren uiteindelijk achter met een tekort.”

5 Wat betekent dit voor mij als werknemer of gepensioneerde?

De impact is het grootst voor gepensioneerden en werknemers die dicht bij hun pensioendatum zitten. Zij hebben geen, of weinig, kans meer om deze tegenvaller goed te maken. Jongeren hebben juist baat bij een pensioenverlaging: die maakt het fonds gezonder, wat de kans op toekomstig herstel vergroot.

Door de versoepelingen van Koolmees hoeven de pensioenbedragen wel minder ver verlaagd te worden. Met behulp van de kortingen moeten fondsen hun dekkingsgraad nu opkrikken naar 90 procent, en niet naar 100 procent (zoals Koolmees in het pensioenakkoord had beloofd) of naar 104,2 procent (zoals in de wet staat).

Het ABP berekende dat – op basis van de huidige cijfers – alle pensioenen met ruim 2 procent verlaagd zouden moeten worden. Voor een gemiddeld ABP-pensioen van 700 euro netto per maand, komt dat neer op 15 euro.

Mensen met een klein aanvullend pensioen, gaan er het minst op achteruit. Voor hen is de AOW-uitkering een veel belangrijker deel van hun inkomen, en die gaat waarschijnlijk gewoon weer omhoog op 1 januari, omdat die is gekoppeld aan de ontwikkeling van de cao-lonen.

6 Hoe kan Nederland dan het beste pensioenstelsel ter wereld hebben?

Voor het derde jaar op rij werd het Nederlandse pensioenstelsel dinsdag verkozen tot beste ter wereld, in een jaarlijkse ranglijst van financieel adviesbureau Mercer. Die koppositie wisselt Nederland al jarenlang af met Denemarken.

Nederland scoort vooral goed door de combinatie van twee soorten pensioen, die elk hun eigen kracht en zwakte kennen.

De AOW-uitkering is het stabiele ‘basispensioen’. De overheid betaalt dat vooral uit premies die ze op dát moment heft bij werknemers en werkgevers. Het nadeel: zo’n staatspensioen wordt duurder naarmate de bevolking vergrijst. Er staan dan steeds minder premiebetalers tegenover het aantal uitkeringen.

Het ‘aanvullend pensioen’ bouwen de meeste werknemers automatisch op via hun werkgever. Die regelt de premiebetaling aan het pensioenfonds. En dat fonds stopt het geld in allerlei beleggingen. Daardoor is dit pensioen vooral gevoelig voor wat er op de financiële markten gebeurt, zoals Nederland nu merkt.

Wel hebben Nederlanders, ook in internationaal opzicht, weinig vertrouwen in hun pensioenstelsel. Een veelgehoorde verklaring is dat pensioenfondsen hun deelnemers nu te hoge verwachtingen voorspiegelen. Ze moeten hun een toekomstige uitkering beloven, terwijl het hoogst onzeker is of ze dat kunnen waarmaken.

Lees ook: Het Nederlands pensioensysteem is uniek. Hoe regelen andere landen dat?

7 Wat betekent dit voor de komst van een nieuw pensioenstelsel?

In het nieuwe pensioenstelsel, dat minister Koolmees nu vastlegt in een wetsvoorstel, doen pensioenfondsen geen beloftes meer over de hoogte van de uitkering. Op een ‘persoonlijke pensioenrekening’ krijgen werknemers vooral te zien hoeveel vermogen ze tot dan toe hebben gespaard. Over de hoogte van de toekomstige uitkering worden alleen nog voorspellingen gedaan.

De pensioenen worden dan ook niet meer ‘gekort’ zoals nu. Werknemers zien wel hoe het bedrag op hun pensioenrekening wordt beïnvloed door beleggingsresultaten: soms stijgt het, soms daalt het. Pas vlak voor de pensioendatum weet je definitief wat voor pensioenuitkering je bij elkaar gespaard hebt.

De jaren tot de invoering van het nieuwe stelsel, die gepland staat tussen 2024 en 2026, zijn nog wel spannend. Zolang de fondsen er slecht voorstaan, blijft er een dreiging van nieuwe pensioenkortingen. Wel mogen fondsen op een blijvende versoepeling van de regels rekenen, beloofde Koolmees vorige maand. Met vakbonden en werkgevers bespreekt hij nu de details van die versoepeling.

Het ziet er in ieder geval naar uit dat fondsen geen dekkingsgraad van 100 procent hoeven te hebben op het moment dat zij overstappen op het nieuwe stelsel: als ze hun pensioenpot opknippen in de individuele pensioenrekeningen. Dat is een meevaller voor gepensioneerden, omdat het de kans op nieuwe kortingen verkleint. En het nadelige effect voor jongeren is beperkt, volgens actuaris Marc Heemskerk van adviesbureau Mercer. „Er schuift dan wat vermogen van jong naar oud, maar de impact valt mee.”

Lees ook: Dit betekent het pensioenakkoord voor jou