Niet alles kan meer, in de klas

Nederlandse leraren Na de onthoofding van een Franse geschiedenisleraar zijn Nederlandse docenten onzeker wat nog wél mag.

De aanslag op Charlie Hebdo in Parijs in 2015 werd in veel Nederlandse klassen besproken, zoals hier op een middelbare school in Rotterdam.
De aanslag op Charlie Hebdo in Parijs in 2015 werd in veel Nederlandse klassen besproken, zoals hier op een middelbare school in Rotterdam. Foto Robin Utrecht/Hollandse Hoogte

Lotte Tiesing, docent maatschappijleer op het A. Roland Holst College in Hilversum, kon zondagavond moeilijk in slaap komen.

Eerder dat weekend had ze het nieuws gehoord over de Franse leraar die werd onthoofd nadat hij in de klas afbeeldingen van de profeet Mohammed had laten zien; ze zag hoeveel mensen het tijdens een demonstratie op de been had gebracht. Het maalde door haar hoofd: „Wat doet het met de kinderen op zo’n school? Hoe voelen zij zich? En de andere docenten?”

Maandag besprak ze het in haar klassen. De leerlingen reageerden vol ongeloof, zegt ze, maar niet angstig omdat het „als een ver-van-mijn-bedshow” voelt. Tiesing is ook niet bang. „Maar er zijn wel zaken die ik in de loop der jaren anders ben gaan bespreken. Niet omdat mijn kop er dan af zou gaan, maar omdat ik mensen niet onnodig wil kwetsen. Het is voortschrijdend inzicht.”

Lees ook: ‘Er is een Frankrijk voor en een na de onthoofding’

Tiesing, die nu tien jaar maatschappijleer doceert, is bijvoorbeeld gestopt met het ‘beroepenspel’, waarbij leerlingen door stappen in de ruimte te zetten moeten laten zien waar het beroep van hun ouders op de sociale ladder staat. „Maar het kan erg kwetsend zijn als ouders bijvoorbeeld schoonmaker zijn.”

Thomas Klijnstra, docent op een middelbare school, bestuurslid van de Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer (NVLM) en vakdidacticus aan de Universiteit van Amsterdam, stopte op zijn beurt met de ‘associatietest’ nadat hij zag dat het een jongen met een migratieachtergrond uit zijn groep pijn deed dat de witte klasgenoten bij de naam Mohammed negatieve associaties hadden. „In de klas moet juist een veilig gevoel zijn, en dat is er dan niet.”

Klijnstra ziet in een lerarenappgroep waar hij in zit, dat zijn collega’s na de gebeurtenissen van dit weekend onzeker zijn over hun lessen. „‘Wat kunnen we wel of niet laten zien?’, vragen ze.”

In Nederland wordt in veel klassen op een zeker moment de aanslag op Charlie Hebdo in 2015 besproken, waarvoor gepubliceerde cartoons van Mohammed de aanleiding waren. Er is niet één lesprogramma voor het behandelen van dit onderwerp: sommige docenten laten de cartoons zien, anderen vinden dat niet nodig.

Fatsoensregels

In de eerste les na de zomervakantie stelt Ahmet Dikbas, docent maatschappijleer en projectleider strategie op het Albeda in Rotterdam, altijd samen met zijn studenten ‘fatsoensregels’ op. In een van zijn klassen vallen daaronder ‘we schelden niet met elkaars moeder’, ‘we laten elkaar uitpraten’ en ‘we spelen niet op de man’.

Dikbas ziet dat collega’s het moeilijk vinden om het gesprek aan te gaan met mensen die heel anders denken dan zij, bijvoorbeeld met leerlingen die meningen hebben die niet stroken met de Nederlandse normen en waarden. „‘In Nederland doen we het anders’, zeggen ze dan. En daarna stokt het gesprek. Als je iemand met radicale ideeën het zwijgen oplegt, schiet je niks op. Die mening blijft bestaan. Je moet andere perspectieven bieden, vragen stellen.”

Juist door studenten de ruimte te geven om hun mening te uiten, zegt Dikbas, hoe extreem ook, kun je discussies voeren.

„Mijn kritiek op de lerarenopleiding, op die van maatschappijleer na, is dat je niet voldoende wordt voorbereid op moeilijke gesprekken. Maar er wordt wel van je verwacht dat je maatschappelijk controversiële onderwerpen die voor spanningen kunnen zorgen bespreekt.” Controversiële onderwerpen in zijn klas zijn seksuele diversiteit, antisemitisme en islamofobie.

Een op de negen docenten in het voortgezet onderwijs vermijdt gevoelige onderwerpen in de klas, zoals homoseksualiteit of de politieke situatie in landen als Rusland en Turkije, blijkt uit het DUO Onderwijsonderzoek uit 2017. Ze zeggen dat die thema’s niet meer besproken kunnen worden als gevolg van toenemende scheiding van culturen op hun school.

Vlak na een belangrijk nieuwsfeit zoals een aanslag, bespreekt docent en didacticus Klijnstra dat niet altijd meteen inhoudelijk. „Ik zeg dan: als er meer bekend is gaan we het erover hebben. Dat duurt soms wel een maand.”

Genuanceerder redeneren

Klijnstra doet onderzoek naar de manier waarop jongeren redeneren. „Leerlingen vinden het lastig om met meer dan één oorzaak te redeneren. Na een aanslag ligt bijvoorbeeld alles aan de islam.”

Hoe zorg je ervoor dat leerlingen genuanceerder redeneren, vraagt hij zich af. „In mijn klas zie ik dat leerlingen na een ingrijpende gebeurtenis de klas inkomen met aannames”, zegt Klijnstra. „Die onderbuik moet je eerst blootleggen. Je moet de gebeurtenis in de context plaatsen: hoe vaak gebeuren dit soort dingen? We leven eigenlijk op de veiligste plek, veiligste moment ooit. Dan gaan we ontleden: wat weten we, hoe valt dat te verklaren. Waarom gebeurt dat misschien eerder in Frankrijk?”

Lees ook dit artikel over de aanslagen in Frankrijk in 2015: Hoe vertel je kinderen over de aanslagen?

„Aan ons de schone taak om voorbij de oppervlakkige discussie te gaan”, zegt ook Marcel Mooijman, lerarenopleider en voorzitter van de NVLM. Eerst kunnen docenten volgens hem het beste op de toon van de student reageren. „Misschien wil je je mening iets anders formuleren, respectvoller, zeg ik dan. En als de toon beschaafder wordt, ga je vragen stellen, feiten delen. Zodat je met fundamentele kennis meningen iets kan bijstellen.”

Hij heeft geen concrete angsten of zorgen gehoord van leerkrachten die zijn aangesloten bij zijn vereniging. Dat was volgens Mooijman heel anders toen in 2004 de 49-jarige aardrijkskundeleraar Hans van Wieren werd vermoord door een student nadat zij een conflict hadden gehad.

Van Wieren vond dat de student zich misdroeg, maar die vond op zijn beurt dat Van Wieren hem als pispaal gebruikte. „Daar werd op veel scholen bij stilgestaan. Het werd heel breed beleefd.”

Ahmet Dikbas geeft nu geen les vanwege de herfstvakantie, maar maandag gaat het eerste uur, via Teams, zeker over de onthoofding. „Hoe is het met jullie, hoe was de vakantie?”, ga ik eerst aan ze vragen. „ Zijn er dingen opgevallen?” Het zou best kunnen dat ze het nog niet weten, zegt Dikbas. „Ik denk dat ze niet heel veel bezig zijn geweest met het nieuws.”