Vader en zoon Peter (links) en Mark Venner

Foto Chris Keulen

Interview

Hij wil een andere boer zijn dan zijn vader: ‘Melk vind je een goed product?’

Peter en Mark Venner Aan de keukentafel bij boer Peter Venner en zoon Mark wordt de discussie over de landbouw in het klein gevoerd. „Die koeien staan voor een systeem waar ik niet achter sta.”

In de stal van de familie Venner staan vijftig koeien. Ze kauwen op hooi en af en toe klettert hun ontlasting op de grond. Al tweehonderd jaar hoort dit beeld bij dit stukje land in Midden-Limburg. Rond 1820 kocht de voorouder van de familie Venner het perceel in Baexem om daar te boeren. Veertig jaar geleden nam Peter (63) het boerenbedrijf van zijn vader over.

Over twee jaar zijn alle beesten verkocht. Peters zoon Mark Venner (24) stopt met de melkveehouderij en begint een voedselbos, een plek waar bomen, planten en struiken kriskras door elkaar staan, geïnspireerd op natuurlijke bossen, en waarbinnen allerlei eetbare gewassen groeien. Van notenbomen tot fruitbomen, van kruiden tot knollen. Aan de zijkant van het veld, bij de meanderende beek, staan al de eerste hazelaars en kardinaalsmutsen. Mark: „De biodiversiteit in Nederland is naar de knoppen, de wereld kampt met klimaatverandering en de landbouw draagt sterk bij aan die problemen. Ik wil het echt anders gaan doen dan mijn vader. Het is een schat van een man, maar hij heeft oogkleppen op.”

Wij spraken twee keer met Mark, die bos- en natuurbeheer volgde aan de Hogeschool Van Hall Larenstein in Velp, en nu werkt bij natuurorganisatie Stichting Instandhouding Kleine Landschapselementen. Een keer zonder zijn vader, een keer met. Mark is een prater, enthousiast, beweeglijk, strijdbaar en fel. Zijn vader Peter Venner is het tegenovergestelde van zijn zoon: hij zit met zijn handen over elkaar, praat rustig, zacht en met weinig woorden. Als Mark het traditionele boerenleven bekritiseert, haalt hij vaak zijn schouders op. Hij reageert enkel als hem om een reactie wordt gevraagd.

Het is een interessant stel. Om hun dynamiek, maar vooral omdat de landelijke discussie over de landbouw hier in het klein aan de keukentafel wordt gevoerd. Mark: „Kijk, ik snap ook wel dat het ingewikkeld is om boer te zijn tegenwoordig, met al die regels. Maar ik zeg tegen mijn vader wat ik vind. Laatst heeft hij het grasveld met een gif kapot gespoten. Zag er helemaal geel uit. Dan zeg ik: wat bezielt jou?” Peter: „Er stond te veel onkruid.” Snel daarna: „Jaha, onkruid is ook kruid.” Mark: „Andere mensen schrikken misschien van onze toon, maar we houden van elkaar.”

Toen Peter de boerderij overnam, zegt hij, „raadden ze me het me af, het zou financieel niet haalbaar zijn”. Mark kijkt op: „Dit hoor ik voor het eerst. Ik weet wel, er was vroeger nooit veel geld, ook al werkte mijn vader heel hard. Ik ben in mijn jeugd één keer op vakantie geweest. Mijn moeder maakte yoghurt en soms zat er schimmel op. Dan haalden we die ervanaf en aten we de rest op.” Peter: „Het lijkt zo wel erg armoedig, jullie kwamen niets tekort.” Mark: „Ik heb inderdaad nooit wat gemist.”

Peter: „Het is altijd een klein bedrijf geweest. Ik zag boeren om mij heen investeren, en wilde dat ook. Maar we hadden niet zoveel land. Ga je je dan in de schulden steken om percelen en rechten te kopen? Uiteindelijk kwam ik twintig jaar geleden tot de conclusie: het is niet haalbaar.”

Stabiel inkomen

In 2000 hadden boeren volgens het CBS gemiddeld 56 koeien, de laatste vier jaar schommelt het aantal tussen de 94 en 97. Peter „Vijftig koeien is niet rendabel. De melkprijs is net zo hoog als toen ik op de landbouwschool zat. Consumenten hebben de mond vol dat alles biologisch moet zijn, en dat ze veel sympathie voor de boer hebben, maar als ze in een winkel komen, betalen ze niet voor biologische producten.”

Lees ook: Minder koeien, meer kwaliteit

Als hij geen geld verdient met het boerenbedrijf, waar leeft de familie Venner dan van? Door het besluit om de boerderij niet te laten groeien, ontstond er ruimte voor andere plannen. De moeder van Mark werkte in de zorg en de familie bouwde het woonhuis om tot een opvang voor kinderen en tieners met leer- en ontwikkelingsstoornissen. Peter en zijn vrouw verhuisden naar een bungalow verderop in het dorp. Mark woont in Roermond. Peter: „Het was onze redding want daardoor is ons inkomen nu stabiel.”

Mark lacht. „Mijn moeder noemt de boerderij weleens ‘de hobby van mijn vader’. Bizar. Dat je zeven dagen in de week je helemaal naar de gedver werkt, en dat je dan zo weinig verdient dat je werk als hobby wordt gezien.” Peter heeft het boerenbedrijf wel behouden. Waarom? „Ik hou van koeien, ik kende vroeger alle namen van de kalfjes uit mijn hoofd. Koeien zijn aanhankelijke maar robuuste beesten, dat vind ik mooi. En ik hou van de vrijheid om mijn eigen dag in te delen en mijn eigen keuzes te maken. Om buiten te werken. In de natuur te werken.”

Mark: „Dat vind ik altijd zo grappig. Dat ik boeren hoor zeggen, in de natuur werken.”

Peter: „Hij denkt van…”

Mark interrumpeert: „Dat is toch geen natuur? Dat zie je bij Boer zoekt Vrouw, zit je naar een polder te kijken met een kilometers lang veld met alleen maar gras en dan zeggen ze: zo prachtig de natuur. Dan denk ik, kom op zeg.”

Peter: „Ik denk dat hier in de buurt wel verscheidenheid is. Als mensen rondfietsen zien ze niet een eentonig landschap.”

Mark kijkt verbaasd en schudt afkeurend zijn hoofd.

Peters ogen glimmen. „Maar blijkbaar ziet Mark dat anders.”

Mark: „Ja, ik vind het verschrikkelijk. In Zuid-Limburg heb je nog veel landschapselementen zoals hagen, houtwallen, struwelen. Hier is dat amper. Wat zie je als je door Nederland rijdt? Gras en mais. Monocultuur. Meer dan de helft van Nederland bestaat uit landbouwgrond. We zijn trots op die weilanden in Nederland, maar we kunnen veel te ver voor ons uit kijken. Een bosje of een huis zie je op drie kilometer al staan. Waar moeten kleine dieren beschutting vinden? Waar moeten insecten van eten? Er leeft toch niets op dat land? Ik vraag me af waarom boeren niet beseffen wat voor invloed hun werk op het milieu en dieren heeft. Maar ik snap ook: je moet wel de rust hebben om na te kunnen denken. En boeren werken keihard.”

Moeder en kind

Marks kijk op het boerenleven veranderde de afgelopen jaren. Peter: „Dat felle is iets van de laatste tijd. Vroeger hielp hij op de boerderij. Hij kwam als kind altijd koffie brengen ’s ochtends, als ik de koeien aan het melken was.” Hij was vroeger verknocht aan de plek waar hij opgroeide, zegt Mark. „Ik kon uren op de hooizolder zitten en over dat land kijken en denken, dit is zo mooi. Ik was trots op de gigantische ruimte, op de rust, de verbondenheid met de seizoenen. Als tiener ging ik alleen de bossen in. Je gaat systemen zien. Hoe vogels eten, waar ze voedsel vandaan halen, hoe bomen zijn gegroeid. Op de boerderij zag ik alleen een kaal stuk grond. Hier bewoog niets, leefde niets, er was alleen gras.”

Mark komt nu niet vaak meer in de stal. „Die koeien staan voor mij voor een systeem waar ik niet achter sta.” Hij wijst op de drie witte hokjes achter de stal waar drie kalfjes in liggen. „Waarom worden kalfjes weggehaald bij hun moeder, hoe onnatuurlijk is dat? Moeder en kind horen bij elkaar. Ik gebruik zelf geen melk meer. Als ik ’s ochtends een bordje Brinta neem, meng ik dat met amandel- of sojamelk.”

Peter, stellig: „Hoe meer moeder en kind zich aan elkaar binden, hoe zieliger het is als ze later alsnog uit elkaar moeten.”

Mark: „Oké, snap ik. Maar hoe absurd is het dat dieren geen natuurlijk gedrag mogen vertonen? Neem de hoorns van koeien die eraf worden gehaald.”

Peter: „Maar melk is wel een goed product. Er zitten veel voedingsstoffen in.”

Mark: „Melk vind je een goed product?”

Peter: „Ja, ik vind…”

Mark kapt hem af. „Nee, oké, jij denkt van wel.” Peter lacht. „En ik vind het gewoon ook lekker.”

Mark: „Maar wat voor impact heeft het product? Wat voor voedingswaarde heeft het en wat voor onbalans ontstaat er in het milieu? Is dat het waard?”

Lees ook: Op zoek naar het avondeten in je eigen voedselbos

Voedselbos

Drie jaar geleden ontdekte hij een ander landbouwsysteem: het voedselbos. „Eigenlijk was ik niet van plan de boerderij over te nemen. Het systeem is krom, dat is niet de schuld van boeren, die zitten er ook in vast. Maar opeens dacht ik, wat als ik mijn liefde en kennis voor de natuur met mijn agrarische achtergrond combineer? Dat ik zelf een voorbeeld probeer te zijn? Ik kan heel boos blijven op hoe we het nu doen, maar dat gaat niets veranderen. En ik ben jong, ik heb geen gezin. Ik heb de ruimte om te experimenteren. Ik heb een bevoorrechte positie. Via een crowdfundingsactie van Urgenda heb ik 26.000 euro gekregen om de eerste bomen te kopen. Ik zit niet vast aan zware leningen en lage melkprijzen.”

Dat komt door de keuzes van zijn vader. Doordat Peter vijftien jaar geleden besloot om niet uit te breiden, is de lening op het land laag. En door het geld dat verdiend wordt met de zorginstelling, hoeft Peter het boerenbedrijf niet te verkopen aan zijn zoon om met pensioen te kunnen. Mark: „De eerste jaren mag ik quitte spelen. Al voel ik nu wel de stress toenemen over hoe ik geld ga verdienen.”

Peter: „Hij voelt nou die druk die ik dertig jaar geleden misschien had. Maar dat is goed. En we hebben een paar jaar de tijd.”

We?

Peter: „Ja. Ik wil Mark graag helpen. Ik zie ook wel dat de roep om duurzaamheid in de landbouw groeit, maar ik ben 63, ik ga zelf echt niet meer het bedrijf omvormen. En ik vind het mooi dat het bedrijf wordt voortgezet. Dan wel niet met koeien, maar met bomen.”

Hoe vindt hij het eigenlijk dat de koeien dan weggaan?

Peter blijft even stil: „Veel koeien die in de stal staan zijn de nazaten van de koeien die mijn opa heeft gehad. Ook de koeien zijn generaties meegegaan. Dat stopt en dat is jammer.”

Mark: „Hij wordt mijn hulpje. En in plaats van alle kalfjes, leert hij dan alle bomen uit zijn hoofd.”

Peter: „Ik ken wel al wat bomen.”

Mark: „Oh, hij heeft zoveel verstand van de natuur.”

Peter: „Ik ken precies de droge plekken, dat is handig voor het planten van de bomen. Ik ken het land goed, al veertig jaar lang.”