Foto Eric Larrayadieu

Interview

‘We kunnen nog veel leren van de barok’

Interview Christophe Rousset De Franse klavecinist Christophe Rousset nam twee nieuwe albums op met muziek van Mozart en Couperin. „Muziek uit een tijd waarin hart en hoofd en hemel en aarde zich nog in volmaakt evenwicht bevonden.”

Mozart ‘ontmaagdde’ hem, herinnert Christophe Rousset zich. Acht of negen was hij, toen op een dag diens 23ste Pianoconcert zijn hoofd binnenzweefde. „Want anders kun je het niet noemen. En sindsdien heeft muziek mij in haar ban.” Het gebeurde in zijn geboortestad Aix-en-Provence, alweer een halve eeuw geleden. Als kind zwierf hij langs de platanen van de Cours Mirabeau, vergaapte zich aan de Fontein van de Vier Dolfijnen en bewonderde de rijk versierde huizen die de Franse adel er in de zeventiende eeuw liet bouwen.

„Daar ontstond mijn liefde voor de barok, een tijd die voor mij schoonheid belichaamde. Ik hield van mijn stad, van haar gebouwen, en de hartstocht en nieuwsgierigheid breidde zich uit van de architectuur naar literatuur, toneel, schilderijen, beeldhouwwerken en muziek. Ik dompelde me onder in de zeventiende en achttiende eeuw.”

Het blijft adembenemend dat Mozart op zijn vijftiende al zo’n krachtig werk tot stand bracht

Op zijn tiende begon Rousset (59) op de piano. Bij de barokcomponisten voelde hij zich meteen thuis. „Bach, Scarlatti, en vanzelfsprekend de Fransen als Rameau en Couperin. Wat me fascineert in hun stukken, is dat zij niet schilderen – zoals later vooral in de muziek gebeurt – maar praten. Ze gaan in dialoog met mij, met hun luisteraars. Zij schreven voor klavecimbel. Het toeval wilde dat je in Aix op dat instrument les kon krijgen. Een zeldzaamheid in de jaren zeventig, toen het klavecimbel net aan zijn opstanding begon. Ik was onmiddellijk verliefd op die sprekende klank.”

Lees ook: Ook Frankrijk is in de ban van historische sensatie

Gistend vat

Zijn beide langdurige liefdes komen dezer dagen samen in twee nieuwe albums met ‘vergeten’ muziek: het oratorium Bethulia liberata, dat wonderkind Mozart op zijn vijftiende schreef, en klavecimbelstukken van een onbekende telg uit de muzikale Couperin-dynastie: Louis-Armand. Waar Mozart zijn hele jeugd door Europa reisde om zijn talent te verzilveren, bleef Couperin dicht bij huis: zowel zijn wieg als graf stond in Parijs.

„Ook muzikaal waren de Franse componisten honkvast”, zegt Rousset. „Mozart daarentegen – daarin schuilt zijn genialiteit – was een gistend vat. Als een spons zoog hij de muziek op die hij overal hoorde en maakte daar iets heel eigens van. Het oratorium Bethulia Liberata schreef hij voor de stad Padua. En je hoort de Italiaanse invloeden die de piepjonge componist onderweg oppikte, maar het is tegelijkertijd al onmiskenbaar Mozart. Ik denk dat de oude Italiaanse meesters van de barok hiernaar met bewondering zouden luisteren, want dit oratorium brengt hun kunst een stap dichter bij de volmaaktheid. Het blijft adembenemend dat Mozart op zijn vijftiende al zo’n krachtig werk tot stand bracht. ‘Wat deden jullie eigenlijk op die leeftijd?’, vroeg ik op de eerste opnamedag aan de musici van mijn orkest Les Talens Lyriques. Allemaal voelden we ons nederig in het aangezicht van zo veel genialiteit.”

Virtuositeit en vuur

Louis-Armand Couperin woonde daarentegen in de bubbel van de Franse barok. „Deze stukken komen uit het decennium van Mozarts geboorte, de jaren vijftig van de achttiende eeuw. In sommige menuetten proef je al iets van de klassieke tijd die in aantocht is. Couperins muziek bezit een enorme uitdrukkingskracht, hij verkent de grenzen van het klavecimbel. De klanken ademen virtuositeit en vuur.”

Zowel Mozarts Betulia Liberata als Couperins klavecimbelstukken behoren nog tot Roussets geliefde tijdperk van de barok, een tijd waarin hart en hoofd, hemel en aarde in zijn ogen een volmaakt evenwicht vonden. „Ontegenzeggelijk was de blik van mensen naar boven gericht, maar ze stonden ook open voor aardse genoegens. Dat mocht naast elkaar bestaan. Zo anders dan het teleurstellende moralisme van nu, dat ons doet vastroesten in de eigen ideeën en opvattingen. Sociale media gaan enkel over het bestendigen van denkbeelden en gevoelens. We zoeken naar likes en bevestiging. En de algoritmes fixeren ons. Kunst daarentegen zet zaken in beweging, schudt het innerlijk op, brengt nieuwe inzichten. Is het niet vandaag, dan wel morgen. Die instelling vormde de ruggengraat van de barok. Van die tijd kunnen we nog het nodige leren.”