Recensie

Extatisch gejuich was verdiend geweest voor contratenor Franco Fagioli

Recensie De NTR ZaterdagMatinee ging dit weekeinde door zonder publiek. In een leeg Concertgebouw speelde het orkest Armonia Atenea onverminderd vurig.

Contratenor Franco Fagioli trad zaterdag op in een leeg Concertgebouw
Contratenor Franco Fagioli trad zaterdag op in een leeg Concertgebouw

Het Amsterdamse Concertgebouw annuleerde alle concerten tot en met 10 november, maar de NTR ZaterdagMatinee ging zaterdag door. Zonder publiek, op de radio en met beeld online.

Carlo il Calvo , van de achttiende-eeuwse operagrootmeester Nicola Porpora, ging in Rome in première in een tijd dat vrouwen niet mochten zingen. Mannelijke castraten waren met hun sterke hoge stemmen de sterren van de opera. In ‘Karel de Kale’ zingt zelfs maar één ‘lage’ stem, een tenor. Gelukkig zingen vrouwen al lang en zijn er geen castraten meer. Drie countertenors en twee sopranen stonden garant voor een concertante uitvoering op grote hoogte.

Een lege zaal zou demotiverend kunnen werken, maar dat werd dan goed verborgen. Het orkest Armonia Atenea speelde onverminderd vurig, waarmee vooral contratenor Franco Fagioli (als held Adalgiso) een sterke synergie vormde. Hij vulde precies de energie in die dirigent George Petrou leek te willen. Alsof Porpora, destijds zelf zangleraar, al niet het uiterste van zijn zangers vraagt. Hij houdt maar niet op met oneindig herhalende, ongelofelijk virtuoze versieringen. Met name in zijn woedende aria aan het eind van de eerste akte sloeg je genot vanzelf over in zorgen of Fagioli de eindstreep überhaupt wel zou halen. Hij deed het. Er had een uitverkocht Concertgebouw in extatisch juichen moeten uitbarsten.

De ontdekking was Bruno de Sá, in de kleine rol van Hertog Berardo. Per definitie countertenor, maar na één gezongen woord begreep je waarom de term ‘mannelijke sopraan’ beter bij hem past. Sá heeft een sopraan waar je je ogen niet bij gelooft. Aan het begin verbaasde hij al met wat korte zinnen, om daarna frustrerend lang geen tekst te hebben. Toen eindelijk zijn eerste aria kwam (‘Sai, che fedel io sono’), loste hij de groeiende verwachtingen fabelachtig in. Een vrouwelijke, stralend heldere, charmante stem, feilloos in het gareel van Porpora’s veeleisende ornamentaties.