Kaag viel De Jonge aan. Een minister dacht: dat kan nog leuk worden hier

Deze week: Kaag versus De Jonge in de ministerraad, woede over de CU, de coronadynamiek die Rutte bevoordeelt en D66 uit beeld duwt. Ofwel: in de eerste golf schakelde de Kamer zichzelf uit, in de tweede schakelt ze de politiek uit.

Illustratie Ruben Oppenheimer

Het was een week waarin het kabinet het land opnieuw opriep tot sociale offers en individuele matigheid. Zelfonthouding voor virusbestrijding. En je mocht ervan uitgaan dat die geest zich ook vaardig had gemaakt van de coalitiepartijen.

Dit was buiten een Kamerlid van de ChristenUnie gerekend.

Uren voordat premier Mark Rutte en vicepremier Hugo de Jonge dinsdag een gedeeltelijke lockdown tegen de tweede coronagolf bekendmaakten, stemde de Kamer over de coronawet, ook bekend als ‘de Spoedwet’. Deze moet het overheidsoptreden tegen corona een fatsoenlijke juridische basis geven, want die ontbreekt al maanden: veel ingrijpen rust op lokale noodverordeningen, die daarvoor nooit bedoeld zijn geweest.

Maar in eerste versies van die ‘Spoedwet’ werd de controlerende rol van de Kamer ingeperkt, en omdat de coalitie met 75 zetels geen meerderheid meer heeft, dreigde de wet te sneuvelen.

De coalitie kon hier alleen uitkomen als ze oppositiepartijen bereid vond een deel van hun principiële bezwaren in te leveren. Het leidde tot onderhandelingen met oppositiefracties (GroenLinks, PvdA, 50Plus, SGP), de Kamer kreeg alsnog een grotere rol, maar sommige fracties hielden zichtbaar moeite met de principiële offers die hun bijdrage aan het algemeen belang vergden.

Toch kwam er na veel duw- en trekwerk een akkoord - en toen zorgde dinsdag, een kwartiertje voor de stemming over de wet, een appje van de CU voor consternatie.

De CU liet weten dat Kamerlid Joël Voordewind tegen zou stemmen. Geen van de oppositiepartijen waren eerder bekend met zijn principiële bezwaren, en bijna allemaal voelden ze zich bedrogen: als we dát hadden geweten, zeiden ze, waren wij ook minder schappelijk geweest.

Ook in de coalitie wisten ze: dit is niet in orde. „We hebben oppositiepartijen verleid tot een akkoord”, zei bijvoorbeeld Chris van Dam (CDA). Ook partijen „die moeilijk zitten”. Onder die omstandigheden als coalitiepartij op het allerlaatst een zuivere houding innemen, vond hij niet kunnen. „Ik voelde me óók op het verkeerde been gezet.”

En wat het niet beter maakte: de politicus met de rechte rug, Voordewind, was amper beschikbaar om zijn tegenstem toe te lichten. Aan mij appte hij vrijdag, na veel vijven en zessen, dat hij handelde uit vrees voor een „te vergaande ingreep in de persoonlijke levenssfeer”. De ironie: dit was het type bezwaar waar sommige oppositiepartijen overheen waren gestapt.

Dus in coronatijd, waarin de hele maatschappij moet inschikken voor de virusbestrijding, en ook een groot deel van de oppositie daartoe bereid is, telden voor deze CU-politicus uiteindelijk alleen de eigen principes.

Eigen Voordewind eerst.

Daags na de persconferentie kwam ook een andere politieke realiteit in beeld.

De Kamer debatteerde over de coronamaatregelen, en was uiterst kritisch over de kabinetsaanpak sinds de zomer. Of je naar Dijkhoff, Asscher, Wilders, Jetten of Heerma luisterde – ze namen allemaal afstand van het kabinet.

En vervolgens nam de premier zonder zichtbare moeite de meeste kritiek over.

Maar niet één oppositiepartij stuurde aan op een motie van wantrouwen, en toen zag je wat er gaande was: de diepte van de crisis maakt het voor de oppositie onmogelijk naar haar zwaarste middel te grijpen, zodat het kabinet in dit stadium, ondanks alle kritiek, vrijwel onaantastbaar is.

Tijdens de eerste golf heette het achteraf dat het parlement zichzelf uitschakelde. Tijdens de tweede golf is het parlement vrij normaal aan het werk maar schakelt het zelf de politiek uit.

Vermoedelijk kan het niet anders – een kabinetscrisis tijdens een pandemie zou weinig waardering krijgen – maar de geschiedenis leert ook iets ongemakkelijks: vooral op dit soort momenten is controle van de macht elementair.

Niets zo gevaarlijk als een regering die geen toezicht vreest in een crisis die ongebruikelijk optreden vereist.

Evengoed kan niemand nog beletten dat Rutte en De Jonge de komende maand voorsorteren op hun campagne, met het miljoenenpubliek van hun persconferenties als voornaamste instrument.

Om een idee te geven: als de gedeeltelijke lockdown geen vier maar zes weken duurt, en dit zou niemand verrassen, is het al bijna 1 december. Op die dag is de deadline voor aanwijzing van de VVD-lijsttrekker, en nadat Dijkhoff zijn vertrek aankondigde weten we wie dat wordt.

Intussen probeert de premier – het is typisch Rutte – kritische collega’s uit het kabinet te apaiseren. Dus voor de komende maand is de gedeeltelijke lockdown een feit. Maar voor daarna denken ministers al na over gedeeltelijke openstellingen.

Zo heeft minister Eric Wiebes (Economische Zaken) een project – ‘protocollen 3.0’ – waarmee het mogelijk kan worden bedrijven te heropenen die de coronaregels aantoonbaar naleven, ook in de horeca.

De interne kritiek op coronacommunicatie van Rutte en De Jonge kreeg ook een vervolg. Vorige week behandelde de ministerraad een notitie van de ministers Sigrid Kaag (Buitenlandse Handel) en Cora van Nieuwenhuizen (Infrastructuur) – Corona-aanpak: zijlichten op gedrag & communicatie.

Het was een poging om op basis van deskundigen tot een minder springerige communicatie te komen, al vertelde een betrokkene bij het stuk dat het „geen revolutionaire inzichten” bevat.

Kaag is de lijsttrekker die duidelijk het meeste nadeel heeft van de coronadynamiek in de politiek.

Haar collega-lijsttrekkers uit het kabinet zijn voortdurend in beeld, en de lijsttrekkers die in de Kamer zitten spelen vanzelfsprekend mee in de coronadebatten. Maar zij blijft door haar portefeuille vrijwel voortdurend uit beeld.

Intussen sluimert in D66 ook kritiek. Vorig weekeinde bevatte deze krant een pleidooi van Coen Brummer, directeur van de Van Mierlostichting, het wetenschappelijk bureau van de partij, om „niet het populisme maar de oorzaken van het populisme” te bestrijden. Binnen de partij laat Brummer, co-auteur van het verkiezingsprogramma, zich hier vaker over uit: hij vindt het weinig zinvol de nadruk te leggen op bijvoorbeeld „waarden”, zoals Kaag vaak doet, en zegt dat de partij beter het onrecht op bijvoorbeeld de arbeids- of woningmarkt kan bestrijden.

Dezelfde Kaag wordt er door collega’s in de beslotenheid van de ministerraad van verdacht dat ze zich voorbereidt op een rol als openbaar criticus van de kabinetsaanpak van corona in de nazomer.

Zo was er vorige week volgens aanwezigen een ongemakkelijk moment tussen haar en De Jonge. De D66-lijsttrekker wees erop dat de minister van Volksgezondheid in zijn eerdere communicatie veel te optimistisch was over de komst van een vaccin, waarbij hij „begin volgend jaar” noemde. Volgens Kaag wek je dan verwachtingen die je niet kunt waarmaken, met het gevaar van onevenredig grote teleurstelling.

Een kenmerkend stijlverschil, want De Jonge vindt dat politici mensen in onzekere tijden perspectief moeten bieden om te voorkomen dat ze zich verliezen in somberheid. Hij redeneert: natuurlijk is dat kwetsbaar – maar een crisis is altijd kwetsbaar.

Zo waren ze in de ministerraad vroegtijdig getuige van een karakteristieke botsing tussen de lijsttrekkers van D66 en CDA, onder voorzitterschap van de komende lijsttrekker van de VVD.

De lichaamstaal van De Jonge verraadde weinig bewondering voor zijn D66-collega, en een aanwezige dacht: dat kan de komende tijd nog leuk worden hier.

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Haagse Zaken: Hoe verdeeldheid de corona-aanpak in de weg staat

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.