Jerry Seinfeld in 2018.

Foto Andres Caballero Reynolds / AFP

Interview

Jerry Seinfeld: ‘Een lach van vijf seconden, dat is een big laugh’

Jerry Seinfeld Comedian Jerry Seinfeld, maker van ‘Seinfeld’, de antichrist onder de sitcoms, heeft al zijn grappen bewaard en gebundeld in een boek. Een interview via de laptop met de succesvolste grappenmaker ter wereld.

Het eerste dat Jerry Seinfeld tegen me zegt vind ik al grappig. Als ik hem vraag of hij het écht is, de échte Jerry Seinfeld en niet een stand-in, zegt hij: „Ja, ik ben het. Maar ben jij de échte Djepkie Boema?”

Dit is het soort grap waarmee Jerry Seinfeld de succesvolste comedian ter wereld is geworden: een licht spottende opmerking die je een spiegel voorhoudt.

Hij kwam afgelopen week met een boek met al z’n grappen van de afgelopen vijftig jaar, Is this anything? – Nederlandse vertaling: Is dit wat? – en NRC kreeg twintig minuten om hem hierover te bevragen.

Ik zit thuis tijdens het gesprek, aan de keukentafel met m’n snurkende kat achter m’n scherm, en Seinfeld zit in New York. We praten via m’n laptop, maar ik kan hem niet zien want zijn interviews zijn zo efficiënt mogelijk ingedeeld – geen beeld dus, en snel-snel-snel.

Zoals ik hier zit, trillend van de zenuwen, zo zijn er vast miljoenen fans die hem dolgraag een paar minuten zouden willen spreken – alleen al met de comedyserie Seinfeld (1989-1998) verzamelde hij een internationaal miljoenenpubliek. Daarin speelde hij zichzelf als het middelpunt van een groepje van vier vrienden in Manhattan. Hij maakte en schreef de serie eerst samen met producent Larry David, en later alleen.

De serie is inmiddels cult. De ingenieuze verhaallijnen, de typetjes, de oneliners – ze schetsen niet alleen een tijdsbeeld van de jaren 90, ze hebben die ook ruimschoots overleefd.

De serie Seinfeld ging over óns – de huidige generatie veertigers, vijftigers en zestigers – over ónze carrières, onze neuroses, maar bovenal over onze donkere kanten – onverbloemd

Want of je nou sokken uit de wasmachine haalt en er weer eens eentje kwijt bent, bij de balie van een autoverhuurder hoort dat ze geen auto meer hebben terwijl je er wél eentje had gereserveerd of je baas tegen je aan staat te kletsen en je doodgaat van verveling: er zijn weinig situaties uit het alledaagse leven waar géén aflevering over gemaakt is. Jerry Seinfeld zit dagelijks bij zijn fans op de schouder.

De serie is vaak getypeerd als „a show about nothing”, maar dat klopt natuurlijk niet. Want de serie ging over óns, de huidige generatie veertigers, vijftigers en zestigers, over ónze carrières, onze neuroses, maar bovenal over onze donkere kanten – onverbloemd.

In Seinfeld zat namelijk geen moraal; er waren geen personages die elkaar een ‘hug’ gaven om het weer goed te maken zoals in comedyseries als Cheers, Friends en Family Ties. Seinfeld had dat niet nodig. Het was de antichrist onder de sitcoms, en met succes: er werden 180 afleveringen van gemaakt, hij won 10 Emmy’s en het fortuin dat Seinfeld ermee vergaarde – onder meer door lucratieve deals met Amazon en Netflix – wordt rond de 1 miljard dollar geschat.

Big laugh

Een belangrijk onderdeel van de serie waren de grappen die Jerry Seinfeld als stand-upcomedian in New York in een club vertelde. Want zo was hij in de jaren zeventig zelf ook begonnen: als grappenmaker voor een handjevol publiek.

Hij heeft al z’n grappen bewaard, ook uit die tijd, en presenteert ze nu in zijn boek, gerangschikt per decennium. Hij noemt ze ‘goudstaven’: het meest kostbare dat een comedian bezit.

En dat is natuurlijk ook letterlijk zo. Want sommige grappen heeft hij gebruikt in meerdere stand-upshows, in de sitcom, in een eerder boekje met verzamelde grappen (uit 1993), in een HBO-special uit 1998 en nu dus weer. Kortom: Seinfeld is er óók een meester in om wat hij maakt telkens opnieuw te verkopen. Hij is ook een goede zakenman.

Seinfeld had een eenvoudig selectiecriterium voor de grappen in het boek, zegt hij. „Ik heb het publiek laten beslissen. Alle grappen die werkten, heb ik bewaard. Dus als er vijf seconden om gelachen is – en vijf seconden is een ‘big laugh’ – tot ongeveer twee, drie seconden. Dáár heb ik uiteindelijk de lat gelegd. Alle grappen die dat niet haalden, heb ik niet gebruikt.”

Het tekent de manische manier waarop hij met zijn grappen bezig is. In zijn boek noemt hij zijn enige drijfveer: publiek aan het lachen maken. Hij beschrijft een lach als iets unieks, als een flits van perfectie, en zijn jacht ernaar als een „druggy kinda lifestyle – adrenaline, dopamine en oxytocine” – als een ijszaak waar je zélf de hendel over mag halen.

„95 procent van alles in het leven is slecht,” zegt hij. „Of het nou over eten, films, muziek of mensen gaat. Het leven bestaat uit de zoektocht naar die laatste 5 procent. Een lange, uitputtende zoektocht.” Als die 5 procent-regel ook voor zijn boek geldt, realiseer je je hoeveel hij in zijn carrière heeft moeten weggooien om deze vijfhonderd pagina’s over te houden.

Donker pak met stropdas

Jerry Seinfeld werd op 29 april 1954 geboren in Brooklyn, New York. Hij had een supersaaie jeugd, zo vertelde hij in interviews. Had hij meer ongeluk gekend dan was hij vast een interessantere man geworden, maar dat zat er helaas niet in.

Hij wist wat hij wilde worden toen hij als jongetje The Ed Sullivan Show zag, waar comedians in een donker pak met stropdas grapjes kwamen vertellen. „Komieken stonden voor mij gelijk aan astronauten en olympische atleten. Niet van deze wereld.”

Het is het decennium dat mist in zijn boek: de sixties. Had hij toen nog geen materiaal? „Eh, nee”, lacht hij. „Dat was de periode tussen mijn zesde en zestiende. Dat waren voornamelijk kleine, vieze grapjes over lichaamsfuncties. Daar wilde ik mijn carrière niet op baseren, maar ik herinner ze me ook niet echt.”

Of misschien eentje, maar dan meer door het gevoel dat het hem gaf dat anderen erom lachten. „Die keer dat een scheikundeleraar de klas vroeg welk element voor een bepaalde reactie verantwoordelijk was. Ik stak m’n hand op en zei: ‘pindakaas’. Als je de lach hoort van de klas, en je komt er dan achter dat er een hele wereld van comedy bestaat – dát was alles wat ik wilde.”

Seinfeld deed er alles aan om comedian te worden. In de jaren zeventig ging hij optreden in stand-upclubs waar een broer van een vriend hem mee naartoe had genomen. Een plan B had hij niet. Sterker nog, zo zegt hij, „ik nam in de beginjaren om geld bij te verdienen met opzet baantjes aan die ik haatte, zodat ik niet in de verleiding zou komen daarin te blijven hangen”.

Tegenwoordig kun je makkelijk beroemd worden, zegt hij, „wereldberoemde supersterren die hun slaapkamer nog niet eens uitgeweest zijn”. Hij bedoelt: via YouTube. Seinfeld moest het succes bevechten. Elke keer weer voor een live publiek.

„In mijn beginjaren dacht ik nog dat het voldoende voor me zou zijn als ik maar een beetje succes had,” zegt hij, „als ik maar genoeg verdiende om brood te kunnen kopen. Later kwam ik erachter dat het zo niet werkt als comedian: als je maar een heel klein beetje succes hebt, ben je maar een stap verwijderd van géén succes en daarna willen ze je helemaal niet meer. Je kan in dit vak alleen overleven als je een énorm succes bent. Het is een uitdagend beroep, waar veel mis kan gaan.”

Geen geëngageerde grappen

Seinfeld was nooit de man van de geëngageerde grap. Hij heeft nooit politiek gedaan, nooit de actualiteit. Hoe spot-on de serie Seinfeld de tijdgeest van de jaren 90 ook ving, de grappen eronder waren altijd tijdloos.

Dat mannen een ‘probleem’ met hun mannelijkheid hebben als ze in koud water gezwommen hebben („shrinkage”), hoe je reageert als een baby op kraamvisite écht heel lelijk is, maar ook het carrière-advies van personage George om onder je werk uit te komen is tijdloos. Hij zegt in een van de afleveringen van Seinfeld: ‘Kijk altijd geërgerd, dan denken mensen dat je het druk hebt’ – briljant, probeer het maar eens.

Seinfeld zelf heeft dan ook geen favoriete tijd waarin het materiaal méér voor het oprapen lag, zegt hij. „Ik heb níets nodig om een grap te maken. Actuele grappen verouderen ook snel. Wie wil er nu bijvoorbeeld nog eentje horen over George W. Bush?”

Jerry Seinfeld in The Tonight Show met Johnny Carson in 1991 (links) en 1989.
Foto’s Getty Images
THE TONIGHT SHOW STARRING JOHNNY CARSON -- Air Date 06/30/1989 -- Pictured: Comedian Jerry Seinfeld performs on June 30, 1989 (Photo by Paul Drinkwater/NBCU Photo Bank/NBCUniversal via Getty Images via Getty Images)
Jerry Seinfeld in The Tonight Show met Johnny Carson in 1991 (links) en 1989.
Foto’s Getty Images

Toch is zijn meest recente werk wel zijn lievelingswerk, zegt hij. Bijvoorbeeld over wat een gedoe het toch altijd weer is om uit te gaan – met wiens auto, wie haalt wie op, waar eten we, etc. En het hedendaagse publiek vindt hij ook leuker dan vroeger. „Ze zijn slimmer geworden, veeleisender, omdat ze nu zoveel meer comedy consumeren dan vroeger. Ze ruiken het meteen als mijn materiaal niet vers is, of origineel.”

Hij legt zélf de lat tegenwoordig ook hoger. „Ik merk dat ik steeds futielere onderwerpen uitkies, dat vind ik spannend. Hoe kleiner de schietschijf, hoe moeilijker het is om hem te raken. Bijvoorbeeld over het verschijnsel dat de deuren van mobiele toiletten altijd net iets makkelijker openzwiepen dan je denkt.”

Het publiek wordt minder tolerant

Toch zijn er ook wel dingen die hij jammer vindt aan de huidige tijd. Het publiek is minder tolerant dan vroeger. Je komt als comedian eerder in discussies terecht over racisme, over #metoo, bedoelt hij dat? „Yes, that’s very unfortunate”, zegt Seinfeld.

De serie Seinfeld zou niet meer zo gemaakt kunnen worden als hij gemaakt is, zegt hij. Mensen werden erin bespot, geestesziekte, neuscorrecties, homoseksualiteit („not that there’s anything wrong with it”), ras – er was geen gevoelig onderwerp waar de vier vrienden géén grappen over maakten. Meestal ten koste van zichzelf overigens, maar toch.

„Veel dingen die we toen deden, zouden nu niet meer kunnen”, beaamt Seinfeld. „Maar ik ben wel blij dat we het hebben kúnnen maken in een tijd dat dat nog mocht. Seinfeld bestaat nog steeds, en niemand klaagt erover. Omdat ze weten dat we toen nog niet zo dachten.”

Nu is er een extra horde voor hem bij gekomen: het coronavirus. Seinfeld zit thuis. Hij zou grappen kunnen maken voor een webcam, zoals collega’s, maar dat wil hij niet. „Zonder live publiek interesseert het me niet.”

Maar het wachten gaat hem prima af. Hij werkt nu aan zijn grappen en aan een „nieuw, groot project” waar hij verder nog niks over kan zeggen, maar het ligt voor de hand dat dat weer iets voor Netflix zal zijn. Daar tekende hij een aantal jaren geleden een lucratief contract voor alle bestaande seizoenen van zijn talkshow Comedians in Cars Getting Coffee, twee nieuwe seizoenen én twee stand-upspecials. Volgend jaar verhuist ook de sitcom Seinfeld naar Netflix.

Hij vindt zichzelf beter dan vroeger, zegt hij, in timing, opbouw, zelfvertrouwen. „Ik ben ook meer grappen gaan maken met een langere spanningsboog, dat kon ik vroeger niet. Dat is lastiger. Het publiek tolereert het niet om een paar minuten niet te lachen, want verder is er niets te doen in zo’n zaal.”

Hij weet niet wat het publiek ná corona leuk zal vinden. Maar dat is ook meteen het mooie van publiek, zegt hij: „Je weet het nooit en je kunt ze nooit voor de gek houden.”

Een comedian krijgt het nooit cadeau, bedoelt hij. „Als ze je niet kennen, denken ze: waarom zouden we om deze vent lachen? En als ze je wél kennen, denken ze: ‘Hij was de laatste keer grappig, he’d better be funny now’.”

Belegen grappen over het huwelijk

Zijn laatste show op Netflix werd in deze krant kritisch besproken. Seinfeld leek zichzelf te overschreeuwen en zijn grappen over het huwelijk kwamen belegen over. Hij kan weinig met die kritiek, zegt hij: „Als het publiek lacht en klapt, laat het de critici zien waar ze fout zitten.”

Critici zijn sowieso nooit zo slim als het publiek, vindt hij. „Een individuele mening telt niet in comedy. Als drieduizend man zeggen dat het grappig is, kan nooit één iemand zeggen dat het dat niet is. Het publiek heeft altijd gelijk, niet die ene criticus.” Ook daarom gaat hij door met optreden zolang het publiek blijft lachen. „Als mensen het leuk vinden wat ik doe, ben ik gelukkig.”

Hij denkt er nooit over na, zegt hij, hoe belangrijk hij is voor zóveel mensen. „En daar zul je me ook nooit van kunnen overtuigen.” Tegelijkertijd kan hij zich ook weer niet voorstellen dat hij ooit voor drieduizend man zal staan en er geen enkele lach meer terugkomt. „Dat zal nooit gebeuren”, zegt Jerry Seinfeld streng.

En dan, zonder pauze erachteraan: „Dat is niet professioneel.”

Met medewerking van Peter Zantingh