Opinie

Elke generatie lezertjes worstelt met leesplezier

Onderwijsblog Laaggeletterdheid bij jongeren wordt gezien als het grote onderwijsprobleem van dit moment. Maar de overheid zag ‘het leesprobleem’ honderd jaar geleden ook al, schrijft Jacques Dane.
School op de Herengracht in Amsterdam. Foto op 11 juli 1940 aangeboden door de oudercommissie van de school.
School op de Herengracht in Amsterdam. Foto op 11 juli 1940 aangeboden door de oudercommissie van de school. Stadsarchief Amsterdam

Onderwijs- en cultuurpartijen riepen de minister deze week op tot een leesoffensief. Het gaat niet goed met het lezen door jongeren en daarom is een ‘actief en inclusief leesbeleid’ nodig, aldus de partijen, waaronder de Taalunie en de Koninklijke Bilbiotheek.

Die oproep kent een lange geschiedenis. Het advies om schoolbibliotheken in te richten, stond een eeuw geleden ook al op de onderwijsagenda. In de Lager Onderwijswet van 1920 werd bepaald dat gemeentebesturen geld beschikbaar moeten stellen voor bibliotheken op openbare en bijzondere scholen. Waarom? Leesvaardigheid bevordert kansengelijkheid.

Al in 1784 ijverden de leden van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, een vereniging die verheffing en ontwikkeling van samenleving en individu voorstond, voor leesbevordering. Verantwoord omgaan met geld, het begrijpen van krantenberichten en overheidsbesluiten, je verstaanbaar kunnen uitdrukken in woord en geschrift – het Nut beschouwde rekenen, lezen en schrijven als de drie belangrijkste bassivaardigheden waarmee mensen zich zouden kunnen redden in een alsmaar ingewikkelder wordende maatschappij.

De blauwdrukken voor de eerste Nederlandse onderwijswetten (1801, 1803, 1806) kwamen uit de koker van het Nut. Naast vanzelfsprekende zaken als een onderwijzersexamen, deugdelijk ingerichte klaslokalen en verantwoorde leermiddelen, stond in de eerste onderwijswetten opgenomen dat een schoolbibliotheek ‘facultatief’, met andere woorden, aanbevelenswaardig was. Na de eerste stapjes op het terrein van het aanvankelijk leesonderwijs – het alfabet, woordjes kunnen lezen – was leesbevordering van cruciaal belang. Géén ingewikkelde, saaie boekjes, maar verhalen waar je als kind plezier aan beleeft: dat hadden pedagogen en onderwijzers in de negentiende eeuw al door. Maar kwamen die schoolbibliotheken er wel?

Onderwijs als sluitpost van de gemeentebegroting

„Er is natuurlijk geen enkele opvoeder, die niet het groote gewicht inziet van vrije lektuur, […] die buiten de schooluren en zonder directen invloed der onderwijzers plaats heeft, voor de ontwikkeling der leerlingen.” Woorden uit de pen van pedagoog Jan Geluk (1835-1919), genoteerd onder het lemma ‘Schoolbibliotheken’ in zijn in 1882 verschenen Woordenboek voor opvoeding en onderwijs. Wat betreft de aanwezigheid van bibliotheken op volksscholen was hij zeker van zijn zaak. Stellig noteerde hij: „In Engeland, Duitschland, Oostenrijk, Zwitserland, Zweden, Denemarken, de Vereenigde Staten, en ook in ons land zijn thans aan de meeste scholen bibliotheken voor de leerlingen verbonden.” Vraag is of Jan Geluk het bij het rechte eind had.

In 1884 publiceerde het Nederlandsch Onderwijzers-Genootschap (NOG) een verslag over de toestand van het lager onderwijs in de jaren 1873-1883. Hieruit blijkt dat Geluk zich had vergist: „In slechts enkele plaatsen worden schoolbibliotheken gevonden, en waar ze zijn, worden ze door de gemeentebesturen verwaarloosd.” In veel gemeenten, zeker op het platteland, was onderwijs een sluitpost van de begroting. Een bibliotheekje op een lagere school was in de negentiende eeuw – althans, volgens het NOG-verslag – een zeldzaamheid.

Lees ook: Hoe we kinderen weer aan het lezen krijgen

Er is een vroegere bron die Geluks aanname wel ondersteunt en het NOG-verslag tegenspreekt. De secretaris van de Groningse Commissie van Onderwijs, P. Hofstede de Groot, schreef in juli 1854 aan de Commissiën van Toezigt op het Onderwijs en Schoolonderwijzers in het hoge noorden, dat de provincie Groningen circa negentig schoolbibliotheken telde. De „leeslust” nam hierdoor toe, aldus Hofstede de Groot.

Omslag Thijs en Thor (1918) van W.G. van de Hulst. Illustratie van Jan Franse Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht

Waarom lezen?

In het lemma ‘Schoolbibliotheken’ benadrukte Geluk dat opvoeders er voor dienden te zorgen dat boeken „met vrucht gelezen worden” – vluchtig lezen was schadelijk. Een eis was dat onderwijzers – maar ook ouders – er ook rekening mee moesten houden dat een boek aansloot bij de ontwikkelingsfase van het kind. Hij formuleerde vier stellingen, die tegelijkertijd de voorwaarden waren voor een nuttig, goed en doelmatig gebruik van de schoolbibliotheek:

1. De schoolbibliotheek verruimt den blik der kinderen, brengt hun vele nieuwe voorstellingen aan, en is dus een steun voor het onderwijs, zoowel als voor de zedelijke opvoeding.
2. De schoolbibliotheek is de brug tusschen de school- en de volksliteratuur. Hebben de leerlingen door de schoolbibliotheek den lust tot lezen en onderzoeken verkregen, dan zullen zij daaraan, ook na het verlaten der schoolbanken, trachten te voldoen.
3. De schoolbibliotheek vervult den rol van den taalonderwijzer, omdat goed geschreven boeken den leerling bekend en vertrouwd maken met de meer gangbare en geijkte taalvormen.
4. Een goede schoolbibliotheek is vaak van beslissende invloed op ’t geheele volgend leven der leerlingen. Het eerste boek […] dat op de ziel des kinds een diepen indruk maakt, roept dikwijls een keerpunt in zijn leven te voorschijn. Het verwarmt het hart, wekt de geestdrift, en verkrijgt […] een duurzamen invloed op het karakter.

Kinderlectuur moest in Geluks woorden „zoowel onderricht als ontspanning geven”. Gewone schoolboeken werden door de onderwijzer klassikaal uitgelegd en door de leerlingen bestudeerd. „Uitspanningslectuur”, zoals hij het kinderleesboek voor thuis typeerde, zou zonder hulp van de onderwijzer – dus zelfstandig – door het kind gelezen worden. Het pedagogische doel van beide luidde echter hetzelfde, namelijk „den kring van voorstellingen en gedachten te verruimen, de phantasie te voeden, edele gezindheden aan te kweeken en den smaak te vormen”.

Omslag Het wegje in het koren (1929) van W.G. van de Hulst. Deel 9 uit de serie Voor Onze Kleinen (11de druk, 1955) Illustratie: Tjeerd Bottema Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht

Door-ren-boekjes

Aan het begin van de twintigste eeuw waren het Jan Ligthart en Hindericus Scheepstra, de geestelijke vaders van het leesplankje aap-noot-mies, die voor beginnende lezertjes leuke, maar tegelijkertijd ook spannende verhalen schreven. De iconische kleuters Ot en Sien speelden daarin de hoofdrol. Niet voor niets noemden ze die boekjes ‘door-ren-boekjes’: verhalen die je, als je eraan begon, meteen wilde uitlezen. De Utrechtse hoofdonderwijzer en kinderboekenauteur W.G. van de Hulst nam dit procedé over met zijn succesvolle serie Voor Onze Kleinen: humoristische, soms zelfs thrillerachtige boekjes voor jonge lezers, die de leesbevordering stimuleerden en waarmee de woordenschat werd uitgebreid.

Het is de ironie van de onderwijsgeschiedenis dat het lijkt alsof we anno 2020 voor het eerst te kampen hebben met een nieuwe vijand: laaggeletterdheid. Een eeuw geleden, in 1920, onderkende de overheid dit probleem ook al, door in de Lager Onderwijswet de inrichting van schoolbibliotheken verplicht te stellen.

Wat leren we van de onderwijsgeschiedenis? Het bevorderen van leesplezier, bedoeld om uiteindelijk als volwassene niet ten onder te gaan in een ingewikkelde, soms meedogenloze maatschappij met onbegrijpelijke regels en voorschriften, is een strijd die leerkrachten – met in hun kielzog de ouders – met elke nieuwe generatie beginnende lezertjes moeten aangaan.

Dr. Jacques Dane is hoofd collectie & onderzoek van het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht.

Dit artikel is mede gebaseerd op: Nuttige kennis en goede gezindheden aan te kweeken: Schoolbibliotheken in de negentiende eeuw uit 2000 door dezelfde auteur.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.