Diederik Ebbinge: ‘Wat een nare tijd is dit, man’

Diederik Ebbinge | acteur en regisseur Satiricus Diederik Ebbinge (Promenade, De Luizenmoeder) heeft soms het idee dat hij klem zit tussen oude conservatieve mannen à la Youp van ’t Hek en moreel rechtlijnige wokes.

Foto Frank Ruiter

Normaal gesproken is Diederik Ebbinge een behoorlijk opgewekt persoon. Toch is het zelfs hem, één dag voor het ingaan van de hernieuwde lockdown, zwaar te moede. „Dit gesprek is echt een momentopname”, waarschuwt hij zodra we gaan zitten aan een tafeltje in het Amsterdamse café De Ysbreeker. „Wat een nare tijd is dit, man.”

Met hemzelf en zijn carrière gaat het uitstekend, daar niet van. Werk genoeg, zeker sinds het succes van De Luizenmoeder. Maar veel van zijn vrienden, die in het theater werken, vergaat het een stuk minder goed. Ebbinges echtgenote, actrice Roosmarijn Luyten, zag tweeënhalf jaar aan geplande klussen in rook opgaan. „Eerst denk je nog: uitgesteld, prima, doe ik een jaartje niets. Maar inmiddels begint dat geloof ook weg te zakken. Wie zegt dat het niet nog vijf jaar gaat duren?”

Twee grote televisiehits had Diederik Ebbinge in de afgelopen tweeënhalf jaar. Eerst De Luizenmoeder, een serie over een basisschool die hij mede schreef en regisseerde en waarin hij de sociaal onhandige directeur Anton speelde. Het werd zó’n succes dat Blokker op een gegeven moment mokken verkocht met citaten uit de serie (‘Dat vinden wij niet raar, dat vinden wij alleen maar heel bijzonder’).

Daarna kwam Promenade, een ontregelende parodie op de wereld van de late night talkshows en showbizz journaals. Ondanks minder goede, om niet te zeggen dramatisch slechte, kijkcijfers groeide Promenade dit jaar uit tot een culthit. De clichés en versprekingen uit de mond van presentator ‘Diederik Ebbinge’ („waarvan akte”, „daar gaan we vandaag niet meer uitkomen”) kruiden al maanden de gesprekken van de vele luidruchtige fans.

Promenade komt voort uit „irritatie, geamuseerdheid en verbijstering” over „het oeverloze geleuter in talkshows”. BN’ers die overal verstand van denken te hebben, shows die avond aan avond over elkaar en elkaars kijkcijfers zitten te praten – „het Grote Niks”, noemt Ebbinge het.

In tegenstelling tot De Luizenmoeder bleef Promenade vooral een programma voor de fijnproever: niet iedereen kon de onnavolgbare sketches van Ebbinge en zijn vaste ‘panelleden’ Ton Kas, Henry van Loon en Eva Crutzen waarderen. Zelf kan hij ook „moeilijk benoemen” wát de humor van Promenade precies inhoudt – acteurs en redactie werkten vooral op intuïtie. Neem die scène waarin Ebbinge en co een gesprek voeren over de shirtsponsors van betaald voetbalclubs. „Dat Vitesse speelt met Waterontharder.com op z’n shirt, dat vonden we allemaal meteen grappig. Het staat voor een soort lelijkheid waar we met z’n allen in beland zijn.”

Een constante in Ebbinges werk is zelfspot. „Als je ook jezelf in de zeik neemt, zijn je grappen veel geloofwaardiger.” Wie zijn bio op Twitter leest, ziet dat hij zijn eigen adagium ter harte neemt: „50-plus, astmatisch en nooit echt helemaal fit. Vaak lage rugpijn ook. Tegen risicogroep aan. Van kijkcijferkanon tot kijkcijferwak. Voetbal kijken.”

Sinds Jaap van Dissel van het RIVM in Promenade consequent ‘Adriaan van Dissel’ wordt genoemd, verspreek ik me de hele tijd. Dat geldt voor meer mensen. Als je zoiets hoort, denk je dan: missie geslaagd?

„Zo’n grap over Adriaan van Dissel, daarvan kun je denken: die ga ik heel nadrukkelijk maken. Maar we doen het juist terloops, in een quasi-serieus gesprek. Ik denk dat 80 procent van de kijkers het gemist heeft. Het grootste plezier aan Promenade is dat niemand in de ploeg, acteurs én redactie, zichzelf belangrijker vindt dan het programma. Je hebt in dit vak ontzettend vaak met grote ego’s te maken, maar bij ons zit niemand zichzelf naar voren te pushen. Dat is fantastisch en zeldzaam.”

Lees ook de column van tv-recensent Arjen Fortuin over Promenade: Promenade is ongemakstelevisie van het zuiverste soort

Ter promotie van Promenade schoof je wel aan bij DWDD – een van de programma’s die jullie juist op de hak namen. Was dat niet wat hypocriet?

„Dat hadden we juist van tevoren zo bedacht. We dachten: als we nou vóór de laatste aflevering van Promenade bij DWDD kunnen zitten, gaan fictie en werkelijkheid echt in elkaar overlopen. Het was heel ongemakkelijk, maar het werkte wel.”

Diederik Ebbinge (1969) groeide op in Baarn, als nakomertje in een gezin van drie kinderen. Het duurde eventjes, op z’n zachtst gezegd, voordat hij richting vond in zijn leven. Als tiener was hij „zo’n vervelende losgeslagen puber”, die op drie middelbare scholen zat voor hij zijn mavo-diploma haalde. „Ik was heel erg van de feestjes en biertjes en jointjes en meisjes. Daar ging eigenlijk al mijn tijd aan op.” Hij werd in die tijd ook „best vaak” opgepakt door de politie. „Had ik weer eens iets gesloopt, ergens een ruit ingegooid. Dat is Baarn, weet je. Veel van die kakkertjes, maar wel zieken en klooien.”

Op zijn achttiende, na een mislukt avontuur op de meao, kreeg Ebbinge een baan bij het Nationaal Computer Centrum Woningcorporaties (NCCW) in Almere Haven. „Daar zat ik, drie jaar lang, met kantoormensen die veertig waren en een auto hadden en een gezin.” Terwijl zijn vrienden studeerden en lol maakten, vulde Ebbinge zijn tijd met het bedenken van give-aways voor klanten van het NCCW. „Die kregen een pennenbakje met het logo van ons bedrijf erop. Die had ik dan besteld.”

De redding kwam in de vorm van de Kleinkunst Academie, waarvoor zijn toenmalige vriendin hem op zijn 21ste een inschrijfformulier onder de neus schoof. Tot zijn eigen verbazing werd hij aangenomen. Op de academie ontmoette hij Remko Vrijdag en Rutger de Bekker, met wie hij vanaf midden jaren negentig de succesvolle cabaretgroep De Vliegende Panters vormde. In 2008, na vier theatershows en twee tv-series, gingen ze uit elkaar.

Met De Vliegende Panters maakten jullie ooit het nummer ‘Lekker reppe’: een parodie op zwarte rappers die het breed lieten hangen in videoclips. Zou je zo’n act vandaag de dag nog maken?

„Zeker niet. Niet vanuit politiek-correct oogpunt, maar omdat cabaret een afgeleide, tijdelijke kunstvorm is die je maakt in de tijd dat je leeft. Ik zou niets meer maken zoals toen. We leven nu in een heel andere wereld dan in 1997.”

Jullie rapten onder meer: „Lekker reppe weet je/met je zwarte reetje in een witte sleetje”.

„Ik weet nog precies waar het vandaan kwam. Je had al die rap-video’s met bijna naakte wijven en stretch-limo’s. Wij keken daar als jonge jongens met een zekere jaloezie naar – daar ontstond dit nummer uit. Als je dat nu zonder context ziet, denk je: wat is dat voor racistische drek. Dat snap ik heus wel. Alleen: sommige mensen vinden dat een soort knieval. Van die oude mannen die zeggen: je mag niets meer zeggen tegenwoordig. Wat een gelul, man. Je mag werkelijk álles zeggen. Gerard Cox ging een show doen waarin hij alles ging zeggen wat je kennelijk niet mocht zeggen. Dat programma kon hij zonder problemen maken.

„Ik hou ook van grenzen opzoeken, mensen uit hun tent lokken. Dat gaat nu veel makkelijker dan toen wij begonnen in de jaren negentig. Iedereen lag toen slap van het lachen, je kon zo ver gaan als je wilde. Dat is veranderd. Andere mensen, die óók alles mogen zeggen, zeggen nu iets terug.”

Vind je dit een interessantere tijd?

„In wezen wel, ja. Waarom zou je je die woede op sociale media persoonlijk aantrekken? Je wéét toch gewoon dat het een bespottelijke reactie is, dat ze contextloos tegen je aan het brullen zijn? Mensen die zeggen dat je niets meer mag zeggen, die hebben het eigenlijk gewoon verloren. Die moeten echt stoppen.”

De Luizenmoeder was volgens veel mensen zo’n succes omdat het zo lekker politiek incorrect was. AD-recensente Angela de Jong schreef: „Heerlijk om weer eens onbedaarlijk te schateren om grappen over huidskleur en spleetogen.”

„Daar kreeg het een soort extreemrechtse connotatie mee. De Luizenmoeder ging niet over politiek incorrecte grappen, het ging over goedbedoelende mensen die zich geen houding weten te geven. In de eerste aflevering zegt Juf Ank tegen een gekleurde man: over een half uurtje kun je gaan schoonmaken. Dát was niet de grap. De grap zat ’m in de genante situatie die ontstond toen bleek dat die donkere man de vader was van een van de kinderen. Heel veel mensen voelden zich betrapt omdat ze dat soort gedachten ook zelf wel eens hadden gehad. Ik ook. Dat voelt als een opluchting: gelukkig, ik ben niet de enige.”

Lees ook de column van tv-recensent Arjen Fortuin over De Luizenmoeder: De Luizenmoeder is tv-geschiedenis

Ebbinge noemt zichzelf „heel geëngageerd”. Dat kreeg hij mee vanuit huis. Zijn ouders, inmiddels overleden, waren lid van de VPRO en discussieerden met hun kinderen veel over politiek en samenleving. Zijn vader was naast zijn werk als bouwkundig ingenieur in de jaren tachtig voorzitter van Amnesty International.

Engagement, zegt Ebbinge, staat voor hem absoluut niet gelijk aan links zijn. „Mijn vader was eerder een CDA’er, we lazen thuis Trouw.” Dat die twee zaken tegenwoordig meteen met elkaar verbonden worden, wijt hij aan het politieke klimaat. „Als je vindt dat er vijfhonderd kinderen uit kamp Moria hierheen kunnen komen, ben je meteen links. Maar wat is daar nou links aan?”

Dat engagement zie je niet per se terug in je werk.

„Mijn persoonlijk engagement zit overal in, het hoeft niet zo letterlijk te zijn. Van dat wereldverbeterende cabaret, dat is de meest lelijke vorm van geëngageerd zijn: rechttoe rechtaan zeggen wat je dwarszit.”

Je maakt ook geen spotjes voor Unicef en tekent zelden petities.

„Als ik dat als satiricus ga doen, word ik grijpbaarder en dus minder gevaarlijk. Zo van: die Ebbinge maakt wel van die harde grappen, maar eigenlijk gaat hij naar Namibië om te zorgen dat kindjes te eten krijgen. Mensen moeten mij ook een lul kunnen vinden. Ik ben er niet op uit om een leuke jongen gevonden te worden, het gaat om wat ik máák.”

Minstens zo erg als de conservatieve, mopperende oude mannen als Gerard Cox, zegt Ebbinge, vindt hij de morele rechtlijnigheid van linkse wokes en actievoerders. „Dan stuur ik een tweet en reageren ze met: ‘Waarom haal je die tweet niet weg, Diederik? Je weet toch dat je fout zit, dat je meegaat in het frame van de PVV?’ Sodemieter op, man!”

Je moet in deze tijden alle zeilen bijzetten om je gezond verstand te behouden

„Ik ben verwoed tegenstander van Zwarte Piet en voorstander van Black Lives Matter. Ik bestrijd populisme en extremisme. Maar waarom krijgen de meest doorgeslagen figuren altijd de meeste aandacht? Op een gegeven moment begrijp je het gewoon niet meer – ook bij BLM niet. Wat moet ik nou zeggen? ‘Zwart’ of ‘wit’ of juist niet? Als je dat verkeerd doet, ben je meteen een racist. Of je doet juist heel goeiig je best en dan ben je een whitey helper. Je moet in deze tijden alle zeilen bijzetten om je gezond verstand te behouden.”

Na het einde van De Vliegende Panters, ruim tien jaar geleden, zegde Diederik Ebbinge het theater vaarwel. Hij werkte als film- en televisieacteur en regisseerde een bekroonde speelfilm, Matterhorn. Die nieuwe start ging niet zonder slag of stoot: na een aantal jaar kreeg hij een knoeperd van een burn-out. „Ik was veel te lang doorgegaan met leven alsof ik 23 was. Tot diep in de nacht zuipen en blowen, en dan ook nog heel hard werken.”

Wat ook op hem drukte, was het grote, dure huis in Amsterdam-Oost waarin hij woonde. „Met de Panters trokken we avond aan avond volle schouwburgen. Ik had op jonge leeftijd veel te veel geld, en op een gegeven moment ook een huis dat daarbij hoorde. Ik geloof dat ik iedere maand alleen al 2.400 euro aan rentelasten moest betalen. Toen stopten we met de Panters en wilde ik regisseur worden. Mijn inkomen decimeerde. Ik kreeg in die tijd ook nog kinderen. Dus ben ik als een gek commercials gaan regisseren. Ik nam ontzettend veel klussen aan, alleen maar voor het geld. De enige ontspanning die ik dan had, was een jointje.”

Hij kreeg angstaanvallen, durfde niet meer de straat op. Zijn huwelijk kwam onder spanning te staan. „Ik ging met een therapeut praten. Die zei al bij de eerste sessie: meneer, u bent uitgeput. Toen-ie dat zei, kreeg ik een onbedaarlijke huilbui. Hij zal dus wel gelijk hebben, dacht ik meteen.”

Er volgde een „enorme reset”. Hij stopte met blowen, beperkte zijn nachtelijke drinkgelagen en werd een brave huisvader. Het dure huis ging in de verkoop. „Mijn maandlasten zakten met tweederde.” Nu wordt het familiebestaan dus ruw verstoord door de onzekerheid van de coronacrisis. „Ik heb veel werk, en werk is afleiding. Maar als je dat niet hebt, zie je de dystopie op je afkomen.”

In mei dit jaar stuurde Ebbinge een opmerkelijke ingezonden brief naar NRC. Hij reageerde op een column van Youp van ’t Hek, waarin de cabaretier de draak stak met podiumkunstenaars en museumdirecteuren die om steun vroegen („tere kunstzielen in nood”). „Luid populistisch gebrul van een succesformule op apegapen”, noemde Ebbinge de column in zijn brief. „Schadelijk en kwaadaardig”.

„Normaal zou ik Youp even persoonlijk bellen. Ik ken hem al heel lang, met de Panters zaten we vroeger bij zijn impresariaat. Maar omdat hij deze schade in het openbaar berokkend had, wilde ik het ook in het openbaar rechtzetten. Hij bracht schade toe aan de cultuur, op een moment dat ik zie dat mensen niets meer hebben. Later beweerde hij dat hij iets heel anders bedoelde dan wat er stond. Zou kunnen, maar dan kun je het ook gewoon een mislukte column noemen.”