De man met de hamer treft ook de economie

Tweede golf Platgeslagen moet de tweede golf van coronabesmettingen worden, in Nederland, in Europa. Maar wie het virus wil treffen, raakt ook het lichaam van de economie. En dat heeft last van verminderde weerstand.

Illustratie Anne van Wieren

We zijn weer thuis. Voor Nederland, en de rest van Europa, is de ‘tweede golf’ van de coronacrisis veranderd van een gevreesd scenario in werkelijkheid. Dat geldt niet alleen voor de volksgezondheid en het sociale leven. Ook wat bedrijvigheid en welvaart betreft zijn we in het tweedegolfscenario verzeild geraakt.

Dat betekent dat veel economische prognoses naar de prullenmand kunnen. En die zagen er al niet fijn uit. Met Prinsjesdag presenteerde het Centraal Planbureau een sombere ‘basisraming’ voor de economie. Daarin had het een economische krimp ingetekend van 5,5 procent voor 2020, gevolgd door 3,5 procent groei volgend jaar. Dat verwachte herstel maakte de klap van 2020 dus niet helemaal goed. De werkloosheid, begin dit jaar nog 3,5 procent, zou halverwege 2021 pieken op iets boven de 6 procent.

Naar, maar gezien de economische klap, nog te doen. Dat kwam vooral door de forse uitgaven voor steun aan bedrijven en werkenden. Het zou een begrotingstekort opleveren van 7,6 procent van het bruto binnenlands product dit jaar en 5,1 procent in 2021, en een staatsschuld die zou oplopen van nog geen 49 procent van het bbp naar 62 procent.

Welvaartsgroei verdampt

Dat waren slechte cijfers. Maar de basisraming van Prinsjesdag maakt inmiddels plaats voor een ‘tweedegolfscenario’ dat het Planbureau voor de zekerheid ook al schetste. En dat scenario, waar we nu langzaam in getrokken dreigen te worden, is veel en veel ongunstiger: een economische krimp van 6,1 procent dit jaar en nog eens 2,8 procent in 2021. De werkloosheid loopt dan op naar tegen de 10 procent volgend jaar, het begrotingstekort komt op 8,3 procent van het bbp dit jaar en 9,3 procent in 2021. Daardoor stijgt de staatsschuld snel, tot ruim 72 procent.

Zo dreigt de economie eind volgend jaar bijna een tiende kleiner te zijn dan toen de coronacrisis begon. Heel even, begin volgend jaar, gaat het zelfs richting 12 procent ‘opgetelde krimp’, voordat herstel begint op te treden in de rest van het jaar. Dan is vijf tot zes jaar welvaartsgroei verdampt.

Het gaat er nu om hoe groot de buffers zijn om de nieuwe klap op te vangen. Houden bedrijven dit nog vol, kunnen banken het aan, heeft de overheid voldoende middelen voor crisisbeleid?

Om met dat laatste te beginnen: het Internationaal Monetair Fonds kwam woensdag met de boodschap dat landen niet terughoudend moeten zijn met steun. Sterker: beter te ruimhartig dan te zuinig. De inspanningen tot dusverre hebben al geleid tot enorme begrotingstekorten en een gemiddelde staatsschuld vergelijkbaar met die tijdens de Tweede Wereldoorlog.

En toch adviseert het IMF die hoge en toenemende schulden straks niet actief te reduceren. De begrotingstekorten dalen vanzelf weer als de economie aantrekt, en de staatsschuld zelf blijft in industrielanden op een hoog niveau: gemiddeld 125 procent van het bbp tot in ieder geval 2025. Dat is even hoog als wat in Italië altijd gewoon was, en door de rest zorgelijk werd gevonden.

Maar de tijden zijn veranderd: een deel van de economische problemen van vóór de coronacrisis kwam door de stijging van de wereldwijde besparingen. Die vloed aan spaargeld ontmoette te weinig vraag in de vorm van investeringen, en dus kwamen vraag en aanbod elkaar pas tegen bij de magere vergoeding voor spaarders: een zeer lage rente.

Lees ook:IMF omarmt rol van de staat: nu ook officieel

Omdat van het bedrijfsleven straks geen enorme investeringsgolf valt te verwachten, is het economisch logisch dat de overheden het spaargeld gaan absorberen in de vorm van een hogere staatsschuld. Dit is één van de belangrijkste verklaringen voor de ommezwaai van het IMF, van zuinige rekenmeester tot adviseur van gulheid. En de staat mag niet alleen grote crisisuitgaven doen, maar dient plots zélf weer investeerder te zijn.

Met de buffers van overheden zit het dus wel goed – mits het industrielanden in het Westen en Azië betreft. Wie niet beschikt over een stevige munt en goede reputatie op de beurzen, krijgt het moeilijker. Voor die landen zal meer internationale steun nodig zijn.

Voor het bedrijfsleven ligt het anders. Met name de zwaar getroffen winkels, transport en horeca krijgen een nieuwe klap. Overheidssteun voor de salarissen gaat door, maar langzaam daagt voor sommige bedrijven een scenario waarin zij in toekomst structureel kleiner zullen zijn, of zelfs ophouden te bestaan.

De staat mag niet alleen grote crisisuitgaven doen, maar plots zelf ook weer investeerder zijn

Uitstel van betaling

Dat is ook te merken aan de banken; van hun regeling voor uitstel van betaling maakten 163.000 bedrijven gebruik. Maar de Nederlandse Vereniging van Banken liet woensdag weten daar een eind aan te maken. Banken gaan onderscheid maken tussen ondernemingen die tijdelijk schade hebben van de crisis en de lockdown, en bedrijven die structureel lijden. Die laatste categorie zal niet meer zo makkelijk hulp krijgen van de bank.

Toezichthouder De Nederlandsche Bank (DNB) liet deze week weten dat bedrijven ook relatief weinig gebruik maken van speciale kredietgarantieregelingen van de overheid. Onder dat regime is 1,7 miljard euro door banken uitgeleend – 10 procent van het bedrag waarvoor garantie was ingeruimd. Dat kan misschien liggen aan de moeite die banken hebben met doorlichten van bedrijven die krediet willen. DNB-president Klaas Knot pleitte daarom onder meer voor een Nationaal Kredietregister voor bedrijven, vergelijkbaar met het Bureau Kredietregistratie voor burgers. De bank kan dan snel zien of een bedrijf een onbevlekte kredietgeschiedenis heeft, en dan eerder geld uitlenen.

De buffers voor ‘westerse’ overheden als de Nederlandse zijn dus groot. En hoewel de Studiegroep Begrotingsruimte, een club hoge ambtenaren die traditioneel de financiële contouren voor een volgend regeerakkoord schrijft, maandag waarschuwde dat tekorten na de crisis met enige spoed moeten worden verminderd, is het IMF daar beduidend soepeler in.

Bij bedrijven, zelfstandigen en ook werknemers wordt het weerstandsvermogen meer op de proef gesteld – en dan gaat het niet alleen om financiën, maar ook om gezondheid en moreel. Een nieuwe lockdown geeft daar opnieuw een tik. De discussie over de verhouding tussen volksgezondheid en welvaart gaat voort. Moeten de teugels niet al te hard worden aangetrokken, om instorting van de bedrijvigheid te voorkomen? Of is het toch beter met een kortere, hevige lockdown het virus uit de samenleving te verdrijven waarna de bedrijvigheid en het sociale leven weer adem krijgen? Veel hangt af van het gedrag van de burger zelf. Er zijn aanwijzingen, onder meer bij ABN Amro, dat een te milde lockdown zorgt voor een sluimerende, langdurige argwaan, die de consument langdurig terughoudend maakt. En daardoor zou de schade uiteindelijk groter zijn.

Scenario’s voor de wereldeconomie

Ook het IMF zit op die lijn, maar de discussie blijft. Want wat als het virus écht nog lang niet weg is? Het Fonds schetste zelf deze week verschillende scenario’s voor de wereldeconomie. Het bruto binnenlands product krimpt internationaal al ongekend, met 4,4 procent, maar volgende jaar komt er herstel, met een groei van 5,2 procent.

Het IMF maakte ook een scenario waarin alles veel beter gaat dan verwacht: een snelle ontwikkeling van effectieve vaccins en behandelmethodes, snelle uitrol ervan, en daardoor spoedige terugkeer van vertrouwen en bedrijvigheid. Dan valt de groei in 2021 een half procent hoger uit, en een procent in het jaar daarna.

Maar er is ook een scenario waarin nieuwe lockdownmaatregelen de economie dit jaar extra drukken. Daarna blijkt ontwikkeling van vaccins veel lastiger dan gedacht, vallen andere geneesmiddelen ook tegen en houden mensen zich steeds slechter aan voorschriften om het virus in toom te houden. In dat geval krimpt de wereldeconomie dit jaar niet met 4,4 maar met 5,1 procent, en resteert volgend jaar een herstelletje met net 2 procent economische groei in plaats van de gehoopte 5,2 procent.

En wat nu als na de tweede golf nog een derde volgt? En dan nog een vierde? Of is er voor die tijd een werkend vaccin tegen Covid-19?

Zoals het hele jaar al het geval is: de economie voorspellen staat in wezen gelijk aan het voorspellen van het verloop van het virus. En dat kan op dit moment niemand. Scenarioplanning is dan de enige oplossing. Niet alleen voor beleidsmakers, juist ook voor bedrijven, van groot tot klein tot eenpitter. Al was het maar om, in deze tijd van grote onzekerheid, financieel én mentaal overeind te blijven.