Recensie

Recensie Boeken

De Nederlandse Spanjegangers zijn tegenwoordig ‘goed’, waar ze jarenlang toch vooral werden gezien als ‘fout’

Spaanse Burgeroorlog Wat is het knap als je over oorlog kunt schrijven op de manier waarop Arturo Barea dat doet. Beeldend, indringend, maar zonder goedkoop effectbejag. Vijf ballen.

Na de slag bij Teruel treffen Republikeinse soldaten in december 1937 burgerslachtoffers aan.
Na de slag bij Teruel treffen Republikeinse soldaten in december 1937 burgerslachtoffers aan. Foto Robert Capa/Magnum Photos/ANP

Wat is het knap als je over oorlog kunt schrijven op de manier waarop Arturo Barea dat doet. Beeldend, indringend, maar zonder goedkoop effectbejag. Eén passage is niet genoeg om het ruim 400 pagina’s dikke boek te illustreren. Maar om te beginnen toch een citaat, omdat dat iets laat zien van de sfeer van De slag en van het schrijverschap van Barea.

Het is november 1936 en Barea zit in Madrid. Middenin de Spaanse burgeroorlog (1936-1939) dus. De troepen van Franco staan aan de stadspoorten. In de straten vallen bommen. Ondertussen vechten communisten, anarchisten en sociaal-democraten in ‘de Republiek’ onderlinge vetes uit. ‘We waren in oorlog en werden belegerd’, schrijft Barea in zijn getuigenverslag. ‘Maar de oorlog was een burgeroorlog en ook onder de belegerden zaten vijanden. Niemand wist wie hij nog kon vertrouwen, iedereen riskeerde elk moment verklikking of terreur, een kogel van een overspannen militielid of van een sluipmoordenaar die vanuit een voorbijscheurende auto met zijn mitrailleur een stoep schoon spoot. Niemand wist of er morgen nog iets te eten zou zijn. De stad stond bol, van spanning, onrust, achterdocht, tastbare angst, maar ook van getergdheid, van een baldadige en verbitterde wil om door te blijven vechten.’

En dan vat hij het allemaal samen in één zinnetje.

‘Je liep met de dood aan je zijde.’

De slag is ‘een van de eerste autobiografische verslagen van de Spaanse burgeroorlog, opgetekend door een ooggetuige die geen partijbelang dient en niemand lijkt te willen sparen, ook zichzelf niet’, schrijft Hub Hermans, emeritus hoogleraar Romaanse talen en culturen, in een nawoord. Barea voltooide zijn werk in 1944 in Engeland, het land waar hij in 1939 naartoe vluchtte. Voor het eerst is het nu in het Nederlands verschenen.

Nieuw Wapentuig

De Spaanse burgeroorlog spreekt nog volop tot de verbeelding. In Spanje verscheurde het conflict hele families en zijn de gevolgen tot op de dag van vandaag voelbaar. Maar de burgeroorlog is natuurlijk geen ‘gewone’ burgeroorlog, door het sterk internationale karakter van het conflict. De generaals die in 1936 in opstand kwamen tegen de democratisch gekozen, linkse regering kregen op grote schaal steun van Hitler en Mussolini. Die gebruikten Spanje als proeftuin voor hun nieuwe wapentuig. De Luftwaffe oefende in het bombarderen van steden – denk aan Guernica van Picasso. Minder openlijk was de steun van de Sovjet-Unie aan de linkse regering van Spanje. En dan waren er de internationale brigades, gevormd door sympathisanten van de Republiek die uit heel Europa, en van verder, naar Spanje trokken om deel te nemen aan de strijd.

Uit Nederland gingen minstens 691, waarschijnlijk meer mensen naar Spanje. Over hen is zojuist ook een boek verschenen, De oorlog tegemoet. Nederlanders en de strijd om Spanje, 1936-1939, van historici Lodewijk Petram en Samuël Kruizinga.

Petram en Kruizinga laten goed zien hoe het beeld van de Spanjegangers in de loop der jaren is gekanteld. Toen een grote groep op 5 december 1938 per trein terugkeerde in Nederland werd hen op het hart gedrukt geen Internationale of andere linkse liederen te zingen. In plaats daarvan zongen ze dan maar Zie ginds komt de stoomboot. Een liberaal Kamerlid vroeg zich af waarom ze onderweg een maaltijd hadden gekregen.

De Spanjegangers werden bekeken zoals de terugkeerders uit Syrië nu: met veel argwaan. Ze hadden leren vechten, wat gingen ze in Nederland met die nieuw verworven vaardigheden doen?

De Spanjegangers waren in vreemde krijgsdienst getreden en verloren daarom hun Nederlanderschap. Als statelozen kwamen ze moeilijk aan werk. Ze waren daarom vaak aangewezen op ‘de steun’, en die was karig. Ze moesten twee keer per dag stempelen, op onregelmatige tijden.

Waffen-SS

Wel konden ze vrijstelling krijgen van de rijwielbelasting, maar dan kregen ze een fietsplaatje met een gat erin ‘om controle mogelijk te maken van het verbod op het zondagse gebruik van fietsen met een gratis plaatje’. ‘Kleren van de steun waren zichtbaar gemerkt, zodat ieder kind uit een arm, werkloos gezin direct als zodanig herkenbaar was.’

Kennis van wapens kwam van pas toen sommige Spanjegangers in ’40-’45 actief werden in het verzet tegen de Duitse bezetters. Andere streden mee met de geallieerden in de Prinses Irene Brigade. Toch liet eerherstel lang op zich wachten. Toen Nederlanders die aan Duitse zijde vochten bij de Waffen-SS in de jaren vijftig werden genaturaliseerd, was een deel van de Spanjegangers nog altijd stateloos. Op het hoogtepunt van de Koude Oorlog was er weinig begrip voor ex-landgenoten met communistische sympathieën. Pas in 1965 ging de regering om.

Lees ook: De Nederlandse nazi-spion die een Spaanse neparts werd

Inmiddels is de kentering van de beeldvorming compleet. ‘De Spanjegangers zijn tegenwoordig „goed”, waar ze jarenlang toch vooral werden gezien als „fout”,’ schrijven Petram en Kruizinga. ‘De Spaanse burgeroorlog wordt tegenwoordig gezien als opmaat voor de Tweede Wereldoorlog. De Spanjestrijders zijn daarmee verzetsstrijders avant la lettre geworden.’

De oorlog tegemoet vertelt vooral een politiek verhaal. Er is ook wel aandacht voor individuele Spanjegangers, maar de lezer wordt niet de oorlog ingetrokken zoals bij Barea. Het is natuurlijk ook een heel ander soort boek.

Helderse zeeman

De oorlog komt wel dichtbij in een derde boek dat toevallig ook verscheen: Uit de Spaanse hel onvlucht! van Cor Dekker. Deze Helderse zeeman vocht een jaar aan de zijde van de Republiek. Na terugkeer in Nederland in 1938 verloor ook hij zijn nationaliteit. Om wat te verdienen schreef hij twee brochures over zijn ervaringen, waarmee hij langs de deuren ging. Die brochures zijn nu opnieuw uitgegeven, voorzien van een inleiding.

‘Vrolijk zingend van Lang zullen ze leven’ gaat Cor Dekker naar het front. Al snel komt hij in aanraking met de gruwelijke werkelijkheid van de oorlog. ‘Tot onze ontzetting zagen wij dode soldaten uit de olijfolievaten steken. Nonnen en priesters hadden ze aan elkaar gebonden en daarna op een verschrikkelijke wijze verminkt en omgebracht. Wat ik nog meer zag kan ik U niet meedelen. ’t Is te verschrikkelijk.’

Het verslag van Cor Dekker is puur en persoonlijk. Maar een schrijver is hij niet, waardoor het al snel ‘meer van hetzelfde’ wordt.

Groot is het contrast met Arturo Barea, die de lezer vakkundig meeneemt naar Madrid tijdens de burgeroorlog en ogenschijnlijk moeiteloos de aandacht van zijn publiek vast weet te houden. Barea is geen romanticus op zoek naar avontuur, zoals veel van de leden van de internationale brigades ongetwijfeld zullen zijn geweest. Hij werkt als klerk op een octrooibureau als de oorlog uitbreekt.

De nieuwe roman van Patrick Bassant, De vlinder in de inktpot, gaat over de Spaanse burgeroorlog en is dik, volks en geestig. (●●●●)Lees ook: Een dikke, volkse en geestige roman

Barea beschrijft de chaos in de begindagen van de oorlog: ‘De politieke partijen vielen uiteen in plaatselijke afdelingen, de vakbonden zowel in beroepsgroepen als in plaatselijke afdelingen. Al de groeperingen hadden, centraal én lokaal, hun eigen voedseldistributie opgezet, met hun eigen gaarkeukens, aanvoerlijnen en magazijnen, en tevens hun eigen militie, politie en gevangenis, hun eigen scherprechters en hun eigen executieterreinen.’

Tegenstanders van de Republiek worden mee uit ‘wandelen’ genomen, dat wil zeggen: geëxecuteerd. Een portier die ook executies uitvoert zegt tegen Barea: ‘Het ergste van alles is nog wel dat je er, weet u, op een gegeven moment de smaak van te pakken krijgt.’

Hemingway

Barea heeft militaire ervaring – hij was soldaat in Marokko – en biedt zijn diensten aan. Maar hij wordt niet naar het front gestuurd, hij wordt verantwoordelijk voor de censuur van de buitenlandse pers. In die hoedanigheid krijgt hij te maken met beroemdheden als Ernest Hemingway en Martha Gellhorn. ‘Ik [merkte] hoe ver hij al gevorderd was in het doorgronden van al die dubbelzinnige grappen in het Castiliaans’, schrijft hij over Hemingway, ‘maar ik merkte ook hoe ver hij, ondanks zijn onmiskenbare babbelzucht, nog afstond van het voeren van een gewoon gesprek, van mens tot mens, met ons Spanjaarden.’

Aragon, 1937. Magnum

Uiteindelijk bevindt Barea zich toch aan het front. Madrid ís het front. En hij doet zijn werk in Telefónica, het hoogste gebouw van Madrid en een makkelijk doelwit voor vliegtuigen en geschut. Barea’s werk als censor is aanvankelijk simpel: ‘we moesten domweg alles schrappen wat in tegenspraak was met een overwinning van de republikeinse regering!’ Maar gaandeweg transformeert hij tot journalist. Als ‘een onbekende stem uit Madrid’ heeft hij een praatje op de radio over het dagelijks leven in de belegerde hoofdstad, bijvoorbeeld over de straatvegers die bij zonsopgang de bloedvlekken wegbezemen.

Arturo Barea is een tijd verbonden aan de sociaaldemocratische vakbond UGT, maar hij sympathiseert ook met de communistische PCE. Een partijman is hij niet. Bang dat hij het slachtoffer wordt van een afrekening binnen het republikeinse kamp probeert hij Spanje te ontvluchten – met succes.

Wat maakt dit oude, vergeten boek zo goed?

Barea vertelt in zekere zin een universeel, tijdloos verhaal over oorlog. Een verhaal over liefde ook, want tijdens de oorlog verlaat hij zijn vrouw nadat hij verliefd is geworden op de Oostenrijkse Ilsa Kulcsar, met wie hij naar Engeland vlucht.

Hongerig en hysterisch

En De slag is goed geschreven. Barea vertelt over wat hij ziet, over de mensen die hij tegenkomt, met oog voor details. En als je er niet op bedacht bent dan komt er ineens zo’n zinnetje dat zijn ervaringen samenbalt. Zo vertelt hij over de ontberingen in Telefónica, en dat hij zou willen dat ‘de generaals en diplomaten’ daar wat tijd moesten doorbrengen ‘tussen hongerige, hysterische en dakloze vrouwen’. Om vervolgens te constateren: ‘Ik was veranderd in iemand die oorlog voerde’.

Barea toont ook schrijverschap door spaarzaam te zijn met gruwelijke details, hoewel die ongetwijfeld in ruime mate voorhanden waren. Als hij een enkele keer wél kiest voor een plastische beschrijving van oorlogsgeweld, maakt dat des te meer indruk.

Na wéér een beschieting ziet hij op een etalageruit een grijze klont ter grootte van een kindervuist. Het beweegt. ‘Ik voelde slechts verbijstering’, schrijft hij. ‘Verdwaasd staarde ik naar die klodder tegen het glas, ik ging volledig op in die bewegingen, die leken op die van een automaat. Het leefde nog steeds. Een klodder mens. Een klodder mensenhersens.’