Geld uit pot voor CO2-reductie mag naar waterstoffabrieken (die juist meer CO2 uitstoten)

Klimaatbeleid Door groene waterstoffabrieken kan de CO2-uitstoot toenemen. Toch stelt het ministerie van EZK er klimaatgeld voor beschikbaar.

Kunstmestfabrieken en windmolens in de Koegorspolder.
Kunstmestfabrieken en windmolens in de Koegorspolder. FOTO THEO AUDENAERD / HH

Nog zes weken, dan gaat de nieuwe landelijke subsidiepot voor CO2-reductie open. Vanaf nu geeft het kabinet geld voor meer dan alleen duurzame energie, zoals wind- en zonneparken. Er is steun bijgekomen voor fabrieken die hun CO2-uitstoot willen verminderen met klimaatvriendelijke installaties. Denk aan CO2-afvang uit de schoorsteen, of levering van restwarmte aan de buren.

Of een nieuwe fabriek voor groene waterstof. Die keuze is, binnen een subsidieprogramma voor CO2-beperking, opmerkelijk. Het is namelijk goed mogelijk dat zo’n ‘elektrolyser’ die waterstof maakt uit water, de komende jaren juist zorgt voor meer CO2-uitstoot.

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) beseft dat, bedrijven weten het. Milieuorganisaties weten het ook – maar steunen de subsidie toch. Het Planbureau voor de Leefomgeving gaf een negatief advies, maar veranderde begin dit jaar van inzicht na tussenkomst van EZK. „Dan komt het op een gegeven moment bij ons op het bordje, en dan probeer je er het beste van te maken”, aldus onderzoeker Sander Lensink van het PBL.

Waterstof is een belangrijk gereedschap voor een klimaatneutrale toekomst. Het gas kan fossiele brandstoffen vervangen, mits het – anders dan nu – zonder CO2-uitstoot wordt gemaakt. Dat kan met elektrolyse. De enige grondstof is water, verder is er alleen een heleboel elektriciteit bij nodig. En veel geld, want elektrolyse is nog lang niet concurrerend met de standaardmethode om waterstof te maken, uit aardgas.

Bijna nergens ter wereld liggen zoveel plannen voor elektrolysers op tafel als in Nederland, bleek vorige week uit een inventarisatie van het Noorse analysebureau Rystad.

Bedrijven en overheden hebben de handen enthousiast ineengeslagen. Zo is er een Gigawatt Electrolyzer-project van havens, industrie en onderzoeksinstituten. Er zijn regionale clubs, zoals Hydrogen Delta voor het Scheldegebied, en Hydroports voor de havens van Amsterdam, Den Helder en de Eemshaven. Er is een H2Platform waar iedereen in zit, ook twee ministeries. En dan is er nog MissieH2, waarin bedrijven van Stedin tot Shell de Olympische sporters sponsoren om Nederland te laten „kennismaken met de spetterende energie van waterstof”.

Voor Nederland is huisgemaakte ‘groene waterstof’ uit elektrolyse strategisch. De gas-infrastructuur ligt er al, afnemers zijn er volop in de grote raffinage- en chemiesector. Voor bouwers van windparken op de Noordzee bieden elektrolysers een gegarandeerde afzetmarkt voor elektriciteit.

Liever dan CO2-opslag

En milieuorganisaties Greenpeace en Natuur & Milieu zien groene waterstof als een „werkpaard” voor de verduurzaming van de industrie – een techniek die zij veruit verkiezen boven ondergrondse CO2-opslag. „We zien groene waterstof als essentieel voor de industrie”, zegt programmaleider duurzame energie Michèlle Prins van Natuur & Milieu. „Dat kan geïmporteerd worden, maar we zien het liefst dat we het in Nederland zoveel mogelijk zelf maken.”

In het klimaatakkoord stelde het kabinet vorig jaar voor om in dit decennium 3.000 à 4.000 megawatt (MW) aan elektrolysers te gaan ontwikkelen. Dat is nog lang niet genoeg om de huidige industriële vraag naar waterstof te dekken, laat staan voor nieuwe toepassingen. Maar volgens EZK is investeren nu essentieel voor ontwikkeling en kostendaling van de technologie. In korte tijd kwam het bedrijfsleven met genoeg bouwplannen, weliswaar rijp en groen, om het hele kabinetsplan tot 2030 te dekken.

Nu nog geld.

Alleen al voor de eerste 500 MW van de waterstofvisie is 1 à 2 miljard euro overheidssteun nodig, schat EZK. Maar een methode om dat geld te verdelen zonder dat dat in Brussel stuit op bezwaren rond staatssteun, is nog in ontwikkeling.

Dus bleef begin dit jaar de enige subsidie over die al wel bijna af was: de nieuwe CO2-reductiesubsidie SDE++. Het is een „relatief dure optie”, schreef minister Eric Wiebes (Economische Zaken en Klimaat, VVD) in februari over zijn besluit, maar hij wilde „marktpartijen het benodigde uitzicht op de SDE++” bieden.

Dat was een omstreden keuze, blijkt uit twee rapporten die Wiebes bij zijn Kamerbrief wel meestuurde, maar niet aanhaalde. Twee instituten, het Duitse Fraunhofer Institut en het Rotterdamse onderzoeksbureau Trinomics adviseerden beide tegen opname van elektrolyse in de subsidieregeling. Ze tekenden aan dat ‘groene waterstof’ zo duur is, dat die volgens de spelregels van de SDE++regeling nauwelijks kans maakt op subsidie – dat schatten ze dus anders in dan de minister.

„De techniek kan beter met innovatiegeld ondersteund worden”, zegt onderzoeker Onne Hoogland van Trinomics desgevraagd over groene waterstoffabrieken. „En het is ook een vreemde eend in de bijt, omdat de techniek niet per se bedoeld is om emissiereducties te bewerkstelligen.”

Het Planbureau voor de Leefomgeving was aanvankelijk nog stelliger: in een conceptadvies uit juli 2019 rekende het Planbureau voor dat elektrolyse de CO2-uitstoot doet toenemen, en dus sowieso niet voor subsidie in aanmerking komt.

Meer uitstoten, niet minder

De productie van alle stroom voor de elektrolysers blijft nog het hele komende decennium te vervuilend, ondanks de opkomst van wind- en zonneparken. „Als je volcontinu waterstof gaat ondersteunen, ga je meer uitstoten in plaats van minder”, verdedigde Sander Lensink, bij het PBL projectleider voor de subsidie SDE++, het negatieve oordeel in januari tijdens een zitting met leden van de Tweede Kamer.

Volcontinu, dat is het heikele punt.

Elektrolysers zijn dure fabrieken. Om nog enigszins uit de kosten te komen, moeten ze veel uren draaien. Neem chemiebedrijf Nouryon. Dat heeft plannen voor drie elektrolysers, in omvang uiteenlopend van groot (20 MW) tot enorm (250 MW). Uit te rekenen is dat die plannen gebaseerd zijn op permanente productie: 8.700 uur per jaar. Ook 5.000 à 6.000 uur wordt door bedrijven en onderzoekers vaak genoemd als bedrijfsmodel. Dan zijn elektrolysers per geleverde kilo waterstofgas het voordeligst.

Het PBL rekende met bijna volcontinue productie: 8.000 uur per jaar. Daar zitten zonnige, winderige uren bij waarbij alle stroom ‘groen’ is. Maar in de meeste uren draaien er te veel fossiele elektriciteitscentrales. De CO2-uitstoot neemt toe, en dus is klimaatsubsidie uitgesloten.

Kamerleden, van links tot rechts, probeerden de situatie op die januaridag vlot te trekken door Lensink suggesties te doen. Kon het aantal gesubsidieerde draaiuren van een elektrolyser niet naar beneden? Biomassa uit de regeling en waterstof erin? Groene stroom inkopen? Nee, vond Lensink. „Voor je het weet, ben je alleen maar aan het elektrificeren, wat leidt tot meer CO2-uitstoot in Nederland. Daar moet je voorzichtig mee omgaan.”

Maar toen het ministerie van EZK drie weken later het definitieve advies van het PBL naar de Kamer stuurde, bleek het meningsverschil opgelost. Het Planbureau had de bedrijfstijd van een elektrolyser sterk teruggeschroefd „op aanwijzing van het ministerie”.

Als je ervan uitgaat dat bedrijven hun elektrolysers alleen aanzetten in de ‘groene’ 2.000 uur, komen ze toch in aanmerking voor SDE++, becijferde het PBL. „Het was EZK die dat expliciet gevraagd heeft en uit onze berekening kwam hetzelfde”, zegt Lensink nu. Er is geen bedrijf dat een elektrolyser slechts 2.000 uur per jaar wil aanzetten. Toch vindt de PBL-onderzoeker zijn keuze verdedigbaar, want de subsidieteller voor de elektrolysers loopt alleen zolang hun stroom groen is.

Kolencentrale

Dat de fabrieken daarna wel ongesubsidieerd voor CO2-uitstoot zorgen, erkent ook het ministerie van EZK schriftelijk na vragen van NRC. „Als marktpartijen de elektrolysers meer uren laten draaien [dan 2.000], kan dat tot extra CO2-uitstoot leiden.” Als het één elektrolyser is, valt het mee, zegt Lensink van het PBL. „Maar als je alle initiatieven in één keer erbij plaatst, gaat er echt wel een kolencentrale harder draaien.”

Energie Nederland vreest evenveel extra uitstoot als van een grote kolencentrale

Juist Energie Nederland, de branchevereniging waar de elektriciteitscentrales bij aangesloten zijn, reageerde dit voorjaar daarom kritisch op de beslissing van het ministerie om elektrolysers te gaan subsidiëren via de SDE++.

De bedrijvenkoepel verwacht dat al die nieuwe elektrolysers jaarlijks leiden tot landelijk 20 procent meer stroomverbruik, en tot netto 4 à 5 miljoen ton meer CO2-uitstoot. Dat is evenveel uitstoot als een grote kolencentrale. En het is uitstoot die bij de elektriciteitssector op het bord komt.

In het klimaatakkoord is vorig jaar afgesproken dat de ontwikkeling van elektrolysers „in de pas moet lopen” met extra groei van duurzame elektriciteit, met name door windparken op zee. Maar volgens Energie Nederland is het „sterk de vraag” of die extra investeringen in windparken op zee van de grond komen door de waterstoffabrieken via de SDE++ te subsidiëren.

De branchevereniging pleit voor een overheidsaanpak die „zeker stelt” dat waterstoffabrieken niet tot extra CO2-uitstoot leiden. Met een concreet traject voor bouw van extra windparken voor waterstof, en een systeem dat garandeert dat de elektolysers alleen subsidie ontvangen voor draaiuren waarop er genoeg windstroom is.

Daarvoor pleit ook Michèlle Prins van Natuur & Milieu. Tegelijkertijd vindt ze niet dat de bouw van elektrolysers hoeft te wachten tot er eerst genoeg windmolens staan. „Ga aan de slag en zorg dat de bouw van windparken in elektrolysers tot 2030 ongeveer gelijke tred houdt.” Al met al is de milieuorganisatie er „wel blij mee” dat elektrolysers via de SDE++regeling subsidie kunnen krijgen die anders niet in Nederland voorhanden was. „Het kon niet anders. Het laat zien dat we groene waterstof als serieuze optie zien voor 2030.”