Homaira Dastgirzada (1960-2020), dichteres die zelden sliep

De laatste bladzijde In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. De Afghaanse Homaira Dastgirzada bleef ook na haar vlucht naar Nederland het dichten trouw.

Homaira Dastgirzada op haar zestigste verjaardag, in mei dit jaar in Utrecht.

Homaira Dastgirzada op haar zestigste verjaardag, in mei dit jaar in Utrecht.

Foto Abbas Abbaspoor

Ook de Taliban slaagden er na hun verovering van Kabul niet in de vorige maand overleden Afghaanse dichteres Homaira Dastgirzada monddood te maken. Onder het mom van een kookklasje, een bezigheid die nog net genade kon vinden in de ogen van de bebaarde islamitische fundamentalisten, zette ze in de Afghaanse hoofdstad in het geheim een dichtclubje voor vrouwen op. Maar na een paar jaar werd het wrede en geestdodende regime van de Taliban de vrouw die met haar eruditie, vrijheidsdrang en verfijnde dichtkunst in alles hun tegenpool vormde toch te veel. Met man en kinderen ontvluchtte ze in 1999 Afghanistan en kreeg ze asiel in Nederland.

Het betekende een dramatische breuk in het leven van Dastgirzada en haar gezin. In Kabul waren zij en haar man voor de komst van de Taliban in 1996 graag geziene burgers geweest. Zij maakte en presenteerde programma’s over literatuur en poëzie op radio en televisie en was onder de talrijke Afghaanse poëzieliefhebbers een bekende naam. Hij werkte op het Afghaanse ministerie van Handel.

In Nederland belandden ze na het asielzoekerscentrum in Utrecht, waar ze altijd bleven. Daar moesten ze weer helemaal opnieuw beginnen. „Maar haar houding was niet: we gaan wachten tot het beter wordt in Afghanistan”, vertelt haar dochter Hariwa. „Mijn ouders leerden Nederlands en vonden beiden werk bij de mediatheek van de Hogeschool in Utrecht. Het was eigenlijk beneden hun niveau maar mijn moeder zeurde er niet over. Ze liet nooit depressieve gevoelens toe.”

Haar grote hartstocht, het dichten, bleef ze intussen trouw, uiteraard in het Perzisch, haar moedertaal. Vaak tot diep in de nacht. „Als mijn moeder dan inspiratie kreeg, was mijn vader de eerste die zo’n gedicht te horen kreeg”, zegt Hariwa. „Ze sliep bijna nooit.” Zo herinnert zich ook de Afghaanse musicus Parwiz Khorsand, een Afghaanse balling die in Nederland nauw bevriend met haar raakte, haar. „Ze hield ervan om uren over literatuur en poëzie te praten, zelfs toen ze al ziek was. Als we dan vroegen: ‘Moet je niet slapen’, zei ze: ‘Ooit zullen we heel lang slapen en heel diep. Laten we nu van dit moment genieten.’”

De liefde voor de literatuur kwam al in haar kinderjaren, waar ze anders dan veel leeftijdsnoten volop kansen kreeg zich te ontplooien. Toen ze 12 was las ze al Balzac en De Beauvoir. De dichtkunst kreeg ze met de paplepel ingegoten. Haar moeder kwam uit de westelijke stad Herat, waar velen vanouds met klassieke Perzische gedichten werden grootgebracht. Zoals van de vermaarde 13de-eeuwse Perzische mystieke dichter Rumi. „Als hier in Nederland iemand Rumi’s naam noemde, begonnen haar ogen te schitteren van plezier”, vertelt haar dochter.

Haar eigen gedichten konden over universele thema’s als liefde gaan, over vrijheid en gelijke rechten voor de vrouw, maar ook over haar gezin, vaak met een mystieke lading, zoals in veel oude Perzische poëzie gebruikelijk. Zelfs haar ziekte – in 2009 werd botkanker bij haar geconstateerd – vormde een bron van inspiratie. „Na een bloedtransfusie verwoordde ze het heel mooi in een gedicht”, zegt Khorsand. „Daarin schreef ze hoe blij ze was dat er nu ook Nederlands bloed door haar aderen vloeide, van dat land met zijn mooie tulpen en vrijheid en tolerantie. Van die waarden was ze nu ook vervuld.”

Maar ze bleef ook de gebeurtenissen in Afghanistan met intense belangstelling volgen, al stemden die dikwijls droevig. „Steeds als er weer een grote zelfmoordaanslag was geweest, schreef ze een gedicht om de pijn die dat deed te beschrijven”, zegt Khorsand. „Pas na dagen was ze dan weer in staat tot een liefdesgedicht.” Misschien nam ze in zulke situaties de regels van haar verre Afghaanse voorgangster Rabi’a Balkhi ter harte. Doodbloedend na een fatale liefde voor een Turkse slaaf dichtte zij ruim 1.000 jaar geleden: „Wanneer je lelijke dingen ziet, verbeeld je dan dat ze mooi zijn. Eet vergif maar proef de smaak van zoete suiker.”

Veertien dichtbundels publiceerde Homaira Dastgirzada, een vijftiende verschijnt nog postuum. Haar publiek bleef afgezien van ballingen beperkt tot de Perzischtalige wereld, vooral Afghanistan. Al tijdens haar studie rechten in Kabul verwierf ze zich fans met haar poëzie. Deels ook door haar werk voor de Afghaanse radio en televisie. Zittend in een auto met een vriend, raakte een jonge man zo onder de indruk van een door haar gepresenteerd radioprogramma, dat hij uitriep dat hij beslist met haar in contact wilde komen. „Dat lukte”, zegt Homaira’s dochter lachend door de telefoon, „en enige tijd later trouwde hij met mijn moeder”.

Ook uit Iran en een Perzisch-talig land als Tadzjikistan kwamen uitnodigingen om conferenties bij te wonen en haar werk voor te dragen en na de val van de Taliban was ze ook een paar maal even terug in Kabul. Na haar dood sprak de Afghaanse president Ashraf Ghani van een groot verlies en de Farsi Service van de BBC stond er bij stil. Dit verbaasde Khorsand, die haar gedichten ook op muziek zette, niets. „Een grotere dichteres dan zij hebben we niet in Afghanistan.”