Recensie

Recensie Beeldende kunst

Hier botsen kunst en actualiteit

Tijdgeest-tentoonstelling Op ‘Risquons-tout’ in Brussel stuwen toonaangevende levende en dode kunstenaars elkaar en de tijdgeest op. Maar gevaarlijk wordt het zelden.

Kati Heck, Schwarzes Brett I & II, 2020 (Katoen, 406 x 650 cm)
Kati Heck, Schwarzes Brett I & II, 2020 (Katoen, 406 x 650 cm) Foto Wiels, Tim Van Laere Gallery, Antwerpen

Laten we alles op het spel zetten. Nu, en echt – alleen die belofte al maakt Risquons-Tout, de nieuwste grote tentoonstelling in Wiels, Brussel, tamelijk onweerstaanbaar. Natuurlijk wil je weten wat er gebeurt als toonaangevende kunstenaars Ed Atkins, Neïl Beloufa, Shezad Dawood, Nora Turato en Evelyn Taocheng Wang ‘alles op het spel zetten’. En dat wordt nóg interessanter als de dubbelzinnigheid van de titel is uitgelegd: Risquons-Tout is namelijk ook een gehucht op de grens van België en Frankrijk, dat bekend werd omdat hier in 1848 het zogenaamde ‘Belgische legioen’ vanuit Frankrijk naar België wilde terugkeren om een volksopstand uit te lokken. Alleen: ze werden opgewacht, uiteengejaagd en afgeslacht. Artistiek risico dus, smokkel, grensoverschrijding, opstand – actueler kan het bijna niet. En dan doet die titel óók nog eens denken aan Ahmet Ögüts geweldige Bakunin’s Barricade, nu te zien op In the Presence of Absence in het Stedelijk Museum: een barricade, te gebruiken bij sociale opstanden, die deels bestaat uit werken uit de Stedelijk-collectie. Ögüts barricade heeft zijn conceptuele wortels nota bene in de socialistische opstand in Dresden van 1849, precies een jaar na de slag bij Risquons-Tout.

Mounira Al Solh, The Mother of David and Goliath (2019, olieverf op doek, 222 x 205,5 cm). Foto Agop Kanledjian, Sfeir-Semler Gallery

Dat zowel Ögüt als Wiels-directeur Dirk Snauwaert teruggrijpen op revoluties uit het midden van de negentiende eeuw heeft ongetwijfeld te maken met de doorbraak in die tijd van de artistieke autonomie – Gustave Courbets klassieker Bonjour Mr. Courbet stamt uit 1853. Maar die autonomie staat dus op de helling. Denk aan artistiek engagement, Black Lives Matter, de positie van vrouwen: ze klinken in de kunst allemaal nadrukkelijk door. Daarom is het even verwarrend als Snauwaert in zijn toelichting bij de tentoonstelling de nadruk legt op thema’s als technologie, digitalisering en de invloed van de machine – alsof je ineens twee ‘hot topics’ in de tijd wordt teruggeschoten. Tot je beseft dat zo’n tentoonstelling al gauw anderhalf jaar voorbereiding vergt: Snauwaert is simpelweg door de voortrazende actualiteit ingehaald.

Op scherp

Maar dat doet er nauwelijks toe, want Risquons-Tout is precies de soort stand-van-zaken-tentoonstelling die de relatie tussen kunst en actualiteit op scherp zet, omdat het in de getoonde werken voortdurend gaat over universeel-actuele onderwerpen als de wankelende grens tussen autonomie en afhankelijkheid, of tussen vrijheid en beperking. Het meest complexe voorbeeld daarvan is Isaac Juliens grote filminstallatie Lina Bo Bardi – A Marvellous Entanglement. Die is in de eerste plaats een eerbetoon aan de Braziliaanse, modernistische architecte Lina Bo Bardi. Juliens film toont twee vrouwen, een oudere en jongere, die beiden als Bo Bardi rondlopen in haar ontwerpen en reflecteren op het concept van tijd. „Linear time is a western invention”, is de kernzin van de film en dat geeft Julien de gelegenheid uitgebreid te spelen met de steeds veranderende betekenis van ideologieën. Interessant thema, maar het lastige is dat Julien die ideeën, zoals in bijna al zijn werk, op een diep-kitscherige manier vertolkt, met felle kleuren, wapperende haren en dampende fotomodellen. Die hebben zo weinig te maken met Bo Bardi’s werk, dat je hem ervan gaat verdenken haar ideologie vooral te gebruiken om sexy, goed verkoopbare installaties te maken. De transformatie van modernisme naar kapitalisme, gevangen in één film, het is een fascinerend tafereel.

Zo bekeken zijn de andere werken op Risquons-Tout braver, ideologisch eenduidiger, maar artistiek vaak toch interessanter. Risquons-Tout is vooral goed omdat Snauwaert een groot aantal kunstenaars bij elkaar heeft gebracht die zowel de tijdgeest als elkaar opstuwen. Opvallend is daarbij dat ze vaak wat ouder zijn, (en doder, en Belgischer) dan je bij zo’n tijdgeest-tentoonstelling zou verwachten: Panamarenko zit erbij, Bernd Lohaus, Anne-Mie van Kerckhoven, Jef Geys, Joëlle Tuerlinckx. Toch gaat hun werk prima samen met dat van jongere, aanstormende kunstenaars als Shezad Dawood, Nora Turato, Evelyn Taocheng Wang, Neïl Beloufa, Mounira Al Solh en Melike Kara. Vooral die laatste twee maken indruk met installaties en schilderijen over de complexe verhouding tussen de Arabische en de Westerse cultuur. Al Solhs zaal, waarin ze zowel (geborduurde) tekstwerken toont als schilderijen die de op een uitdagende manier de precaire situatie tonen van Arabische vrouwen, is een van de beste van de expositie. Ook Melike Kara’s werk is sterk: zowel haar doeken als haar wandschilderingen lijken op het eerste gezicht abstract, tot je ziet dat er op de wandwerken onheilspellende voorstellingen doorschemeren, als verborgen gebeurtenissen of schaduwen uit het verleden, een wereld waarin je niet kunt doordringen, terwijl je dat wel graag zou willen. Tenminste op kunstniveau.

Shezad Dawood, In the Night Garden (Study) (2020, acryl op vintage textiel, 60 x 70 cm). Foto Wiels, Jhaveri Contemporary

Want dat blijft het dilemma van Risquons-Tout: hoe goed en actueel de werken ook zijn, gevaarlijk, in de zin van riskant of grensoverschrijdend wordt het zelden. Dat is precies het dilemma van zoveel hedendaagse geëngageerde kunst: hoeveel je als kunstenaar ook toont of provoceert, je komt die denkbeeldige grens tussen kunst en maatschappij maar zelden over. De enige die daar op Risquons-Tout wel in slaagt is de Congolese Irene Kanga, onderdeel van het mede door Renzo Martens geïnitieerde kunstenaarscollectief CATPC. Kanga’s Forced Love (2020) bestaat uit zes identieke beelden die de verkrachting tonen van een Congolese vrouw door een vertegenwoordiger van het Belgische koloniale bewind in 1931 – de tijd dat steeds meer Congolezen werden gedwongen te werken voor Lever Brothers, een voorloper van Unilever die daar palmolie won. Om de continuïteit van de geschiedenis te benadrukken voerde Kanga’s haar beelden uit in chocola (verrijkt met palmvet) waarmee ze een ongemakkelijke aanklacht vormen tegen het kolonialisme. Maar nog belangrijker: met de opbrengst van hun sculpturen kopen de CATPC-leden voormalige plantagegronden terug om er hun eigen moderne, duurzame plantages te vestigen. Daarmee lijken Kanga, Martens en de CATPC voorlopig de enige kunstenaars op Risquons-Tout die concrete verandering teweeg weten brengen in niet-artistieke economische processen – wat toch te denken zou moeten geven. Wist u trouwens dat naast Risquons-Tout het plaatsje Paradijs ligt?