Op zoek naar veerkracht in de tweede golf

Omgaan met de coronacrisis Nu het acute crisisgevoel is weggeëbd, is het lastig gemotiveerd te blijven om de adviezen op te volgen.

Mondkapjes en anderhalve meter afstand. Lastig is mensen te blijven motiveren om zich aan dit soort coronamaatregelen te houden.
Mondkapjes en anderhalve meter afstand. Lastig is mensen te blijven motiveren om zich aan dit soort coronamaatregelen te houden. Foto Simon Lenskens

Het mondkapje is een fashion-item geworden, in sport-, casual- en denim-versies. We slingeren op anderhalve meter afstand om elkaar heen. We kunnen ons niet meer voorstellen ooit nog ergens anders in te niezen dan in de elleboog.

We zijn het inmiddels gewend. Toch roept de tweede coronagolf vooral wrevel en weerzin op. We zingen niet meer „lang zal ze leven” onder het balkon van een tachtigjarige buurvrouw die haar eigen boodschappen niet meer kan doen. We kunnen niet meer lachen om die collega van wie alleen het voorhoofd in de Teams-vergadering zichtbaar is. Van het heroïsche gevoel van een half jaar geleden dat we dit sámen doorstaan, is weinig meer over. En dat terwijl premier Rutte dinsdagavond tijdens de persconferentie waarschijnlijk nóg strengere maatregelen zal aankondigen.

Toch moeten we door - met mondkapje en al. Waar halen we de veerkracht vandaan om de komende tijd zo goed mogelijk door te komen?

De fase van de desillusie

Deze crisis is niet meer zo fris, zegt hoogleraar crisismanagement Arjen Boin van de Universiteit Leiden. „In de beginfase accepteert iedereen dat er geïmproviseerd wordt en dat beslissingen worden genomen op basis van vijftig procent kennis. Jaap van Dissel kon toen nog zeggen: ‘Ik ben Jaap, ik ben van de wetenschap, het zit zo en zo.’ Maar die fase is voorbij.”

Als het serieus is dan moet je dat als overheid uitstralen door daadkrachtig te zijn, zegt Boin. „Je moet snel, stevig en compact communiceren. Dat gebeurde niet. Integendeel zelfs. In de persconferentie van 28 september, waarin premier Rutte vertelde dat het weer de slechte kant op gaat met het virus, zei hij dat ze dat weekend nog eens goed gingen nadenken. Ik dacht: huh!? Is er niet allang een plan? Ik neem aan dat we tijdens de persconferentie van dinsdagavond dan eindelijk een plan of strategie krijgen.”

Waar is het perspectief van de gedragswetenschappers, vraagt bestuurssocioloog Mark van Ostaijen (Erasmus Universiteit Rotterdam) zich af: „Ik hoor alleen medici.” Het gaat in deze fase niet om de grimmigheid van het virus, zegt hij. „Dat kennen we inmiddels. Het gaat om hoe we ómgaan met die grimmigheid.” We hebben de schok van de eerste golf gehad, constateert hij. Toen kwam de ‘honeymoonfase’, zoals trauma-experts dat noemen: Mensen vonden die crisis ook best intrigerend en opwindend, en geruststellend dat er werd ingegrepen. „We zitten nu in de fase van desillusie: Hoelang gaat dit nog duren?”

Tijdens de eerste fase trad de overheid technocratisch op, zegt Van Ostaijen. „Beslissingen werden genomen op basis van wetenschappelijke feiten, voor zover die bekend waren.” Van Ostaijen zegt dat de overheid nu betrokkenheid moet creëren. „Als je met een grote groep de jungle intrekt, moet je ook zorgen dat de hele groep weet waar je heen gaat en waarom, anders haken sommigen af. Of ze kiezen een ander pad.”

De ideale situatie in een crisis, zegt Boin, is dat overheid en burgers op één lijn zitten: Dít is er aan de hand en dáár gaan we heen. „Dat zie ik niet. Ik zie een weifelende overheid en de burgers die er wel achteraan komen, maar met heel veel mitsen en maren.”

Lees ook: ‘Wordt het ooit weer normaal?’ De stemming in elf Nederlandse buurten

Vreemd is dat niet. Van Ostaijen: „We hebben een autonoom en onafhankelijk zelfbeeld. We hebben zogenaamd niemand nodig. Maar dat blijkt nu dus niet te kloppen. Geluk, welzijn en gezondheid overstijgen het individu. We zijn wél afhankelijk van anderen. Geen independence, maar interdependence.”

De betrokkenheid die nodig is om de tweede golf door te komen, valt te organiseren, zegt Van Ostaijen. „Dat kan door de reële frustratie en de pijn te adresseren. We hebben een narratief nodig, een verhaal dat betekenis geeft aan deze periode. Dat verhaal moet de statistieken van besmettingen, doden en mensen op de IC en de persoonlijke verhalen van coronaslachtoffers overstijgen.”

Veel te verliezen

Het gevoel van verlies is ook zo groot omdat we veel te verliezen hebben, zegt historicus James Kennedy (Universiteit Utrecht). „We gaan een paar keer per jaar met vakantie, we gaan skiën en aprèsskiën, we gaan naar festivals en feesten. Het jaar is mislukt als dat allemaal niet kan.” Ons vermogen om oneffenheden in ons prettig bestaan te verduren, is kleiner geworden dan, zeg, een eeuw geleden, zegt Kennedy. „Tijdens de Spaanse grieppandemie in 1918 waren er ook maatregelen genomen om verspreiding te voorkomen. Maar de ziekte werd ook makkelijker aanvaard als onderdeel van een toch al hard leven.”

Kennedy vraagt zich af of de overheid de collectieve wil en gemeenschapszin kan organiseren die nodig is om de tweede golf door te komen. Ze zou het in elk geval kunnen proberen, vindt hij. „Ik verwacht niet direct dat Rutte een toespraak zal houden in de trant van Winston Churchill, in mei 1940, in het begin van de Tweede Wereldoorlog; ‘I have nothing to offer but blood, toil, tears and sweat’. Maar iets dat een beetje in die richting komt, zou sterk zijn.”

Lees ook dit opiniestuk: Met moralisme krijgen we het virus er niet onder

Het blijft de vraag of Nederlanders na zo’n toespraak de huidige grenzen die aan hun leven worden gesteld, makkelijker zullen accepteren”, zegt Kennedy. „Je kan het vergelijken met de klimaatproblemen; mensen zijn wel bereid om iets te veranderen, maar het gaat langzaam. De discussie moet worden gevoerd.”

‘Dringend advies is ook duidelijk’

We moeten deze crisis in perspectief blijven zien, zegt historicus Henk te Velde (Universiteit Leiden). „Er worden veel vergelijkingen gemaakt met oorlogen, maar dat is natuurlijk overtrokken.”

Te Velde ziet politici die een volk moeten aansturen dat niet aangestuurd wil worden en tegelijkertijd roept om duidelijkheid. „Meer duidelijkheid? Sorry, een dringend advies is ook duidelijk.” En dat die duidelijkheid er is, zie je dan ook in de praktijk. „Er wordt de Nederlanders veel koppigheid toegedicht, tegelijkertijd lopen veel klanten met een mondkapje door de supermarkt.”

Lees hier meer over de ‘eigenwijze Nederlander’: ‘Mondkapje? Dat bepaal ik zelf wel’

Je kunt het als politicus eigenlijk niet goed doen, zegt Te Velde. „Maar je kunt het wel fout doen. Dat dilemma zorgt voor uitstel van beslissingen. In de jaren dertig stond de regering in de economische crisis voor de keus om de munt te devalueren. Dat was een heel drastische keuze en die werd daarom uitgesteld. Uiteindelijk gebeurde het toch, achteraf gezien veel te laat. De crisis duurde daardoor langer dan nodig.”

Een extra speech van Rutte heeft nu geen zin, vindt de historicus. „Die klinkt al snel te theatraal. Alleen wanneer bijvoorbeeld een avondklok wordt ingesteld, kan rustige uitleg het effect daarvan versterken. De regering doet dan iets ingrijpends en kan dan ook beter een beroep doen op de burger.”

Comfortabel oncomfortabel

Nederlanders kunnen de kracht om door de crisis te komen ook in zichzelf zoeken, vindt sportpsycholoog Afke van de Wouw. Sporters ondervinden voortdurend tegenslagen – een scheidsrechter die verkeerd fluit, een blessure, een verloren wedstrijd. Hoe groter je psychologische flexibiliteit, hoe beter je ermee om kunt gaan. Voordeel: psychologische flexibiliteit valt te trainen.

Dat kan door zo goed mogelijk om te gaan met onverwachte situaties. Van de Wouw: „Getting comfortable with the uncomfortable. Bij sporters zegt de trainer bijvoorbeeld dat ze twintig keer moeten opdrukken. Zijn ze klaar, dan moet het nog eens twintig keer.” Bij de rest van Nederland dienen die onverwachte situaties zich nu op een presenteerblaadje aan.

Het lastige van deze periode is dat je gemotiveerd moet blijven om bepaald gedrag te vertonen op langere termijn, zonder directe, concrete beloning, zegt sportpsycholoog Yannick Balk. „Het beschermen van zwakkeren in de samenleving of zorgen dat de IC’s niet vollopen, het zijn geen persoonlijke droomdoelen.” Met sporters knipt hij het grotere, langetermijndoel – meedoen aan de Olympische Spelen bijvoorbeeld – op in kleine, behapbare doelen. Daarvoor hoef je geen topsporter te zijn, dat kan iedereen, zegt hij. Stel concrete, haalbare doelen: „Bijvoorbeeld: op maandag, woensdag en vrijdag sport ik van acht tot negen. Op zondagmiddag wandel ik twee uur in de natuur. Zo blijf je fysiek en mentaal fit. Dat is juist in deze tijd van belang.”

Frustratie en verdriet is wel reëel, zegt Van de Wouw. „Het is niet goed om het weg te drukken. Deel je emotie. Het feit dat je niet de enige bent, kan helend werken. Blijf er niet té lang in hangen. Zeg bijvoorbeeld: vanaf morgen 14.00 uur gaat de knop om en kijk ik weer vooruit.”