Doorsnee huishouden zag vermogen flink stijgen, vooral dankzij verhitte huizenmarkt

CBS Het doorsnee Nederlandse huishouden had vorig jaar een vermogen van 49.800 euro, meldt het CBS. Het is een stijging van ruim 12.000 euro in een jaar tijd.
Een bordje met 'Verkocht' bij een huis in Utrecht.
Een bordje met 'Verkocht' bij een huis in Utrecht. Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Het doorsnee Nederlandse huishouden heeft zijn vermogen tussen 2018 en 2019 flink zien stijgen, vooral onder invloed van de almaar oplopende huizenprijzen. In een ranglijst van alle 8 miljoen Nederlandse huishoudens, bezat het middelste huishouden op 1 januari vorig jaar 49.800 euro. Dat is ruim 12.000 euro meer dan in 2018, blijkt uit dinsdag gepubliceerde cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

De laatste keer dat het mediane vermogen een dergelijk niveau bereikte, was in 2008, aan de vooravond van de financiële crisis. Daarna zakte de omvang van de bezittingen flink in, totdat het doorsnee huishouden in 2013 nog maar zo’n 16.800 euro had. Ook voor deze ontwikkeling waren de huizenprijzen bepalend: als die buiten beschouwing worden gelaten, is het doorsneevermogen de afgelopen vijftien jaar nauwelijks veranderd. Vorig jaar ging het om iets meer dan 15.000 euro.

Van iedere tien Nederlandse huishoudens hadden er vorig jaar ongeveer zes een eigen woning. Huizen vormden het belangrijkste deel van de 1.540 miljard euro aan vermogen die huishoudens bezaten. Omgekeerd waren hypotheken ook de voornaamste bron van schulden. Ouderen hebben over het algemeen veel meer vermogen dan jongeren. Zo had ruim 40 procent van de 65-plussers vorig jaar een vermogen van tussen de één en vijf ton, inclusief woning, terwijl dat bij huishoudens met een hoofdverdiener onder de 25 jaar amper 3 procent was.

Het doorsneevermogen verschilt enorm van plaats tot plaats. In de gemeenten Bloemendaal en Laren lag het mediane vermogen vorig jaar boven de 370.000 euro, in Rotterdam kwam het ternauwernood boven de 6.000 euro uit. Ook andere grote steden, zoals Amsterdam, Groningen en Den Haag, scoorden laag. „In de grote steden wonen relatief veel jongeren, uitkeringsontvangers en personen met een niet-westerse migratieachtergrond. Deze groepen hebben doorgaans weinig vermogen”, aldus het CBS.