Recensie

Recensie Muziek

Prachtige wisselwerking Simone Lamsma en Candida Thompson

Klassiek Bij Amsterdam Sinfonietta zorgden Bach en Pärt voor een prikkelende afwisseling. De neerwaartse onttakeling aan het einde was intens en chaotisch.

Violiste Simone Lamsma.
Violiste Simone Lamsma. Foto Amsterdam Sinfonietta

Waarom vormen J.S. Bach en Arvo Pärt eigenlijk zo’n goed duo? Die vraag zweeft achter het nieuwe programma van Amsterdam Sinfonietta, dat komende week op tournee is met violiste Simone Lamsma. Pärt is net als zijn bewonderde voorganger een gelovige componist van spirituele muziek, maar hij bedient zich van een totaal ander idioom. Bach zou vermoedelijk diep zuchten als hij Pärts opeenstapeling van zonden tegen de contrapuntregels kon horen. Toch klonk de afwisseling van hun muziek als een logisch en prikkelend geheel.

Bachs Concert voor twee violen, BWV 1060 kreeg geen typische barokuitvoering, maar bezat een sterk dynamisch profiel en een wat omfloerste klank. Vooral het middendeel, met kistorgel in het continuo, was heel naakt en breekbaar, met een prachtige wisselwerking tussen solisten Simone Lamsma en Candida Thompson. Het contrast met Pärts vroege Collage über B-A-C-H was groot: in de stekelige Toccata kaatsten de motieven obsessief door het orkest, in de Sarabande kreeg een uitgebreid Bach-citaat weerwoord van verzadigde clusterakkoorden.

Lees ook: Amsterdam Sinfonietta treedt op voor minister van Engelshoven: ‘Hiervoor bestaan we.’

Mooi slepend tempo

De Sinfonia uit Bachs cantate Ich hatte viel Bekümmernis, BWV 21 kwam nog niet helemaal uit de verf. De solisten hanteerden een mooi slepend tempo, maar de lage strijkers hadden haast, waardoor er een onrustig en wankel klankbeeld ontstond. Een strakke puls in de bassen was er wél in Pärts Tabula rasa, een van de beroemde stukken uit zijn doorbraakjaar 1977 en het hoogtepunt van het concert.

Pärt componeerde Tabula rasa voor twee solisten, strijkorkest en prepared piano toen hij na een diepe crisis de twaalftoonsavant-garde de rug toekeerde en zijn welluidende ‘tintinnabuli’-stijl ontwikkelde. De abstracte dialoog tussen Thompson en Lamsma werkte heel goed. In het bij vlagen ruige eerste deel dansten kartelige figuren, trapsgewijze versnellingen, ziedende arpeggio’s en laserachtige flageoletten heen en weer. De neerwaartse onttakeling aan het einde was geweldig intens en chaotisch, waardoor het lange tweede deel, Silentium, nog aan kracht won. Het uitgesponnen vallen van de stilte was van een grote schoonheid.