Opinie

Waarom journalistiek en het nieuwe complotdenken elkaar slecht verdragen

De ombudsman

Blijk ik weer eens achter te lopen. Terwijl complotdenkers nog zo in de mode zijn, raakte ik dit voorjaar per e-mail in gesprek met een inmiddels kennelijk verouderd model. Dat wil zeggen met iemand die nog noest documentatie uitpluist, in plaats van het nieuwe, ‘spirituele’ type dat furore maakt met graancirkels, 5G en een wereldcomplot vol satanische kinderoffers.

En als ombudsman ben je toch al snel een roestige tractor met één wiel in de berm.

Naar aanleiding van een essay van Bas Heijne over het tanende geloof in feiten correspondeerde ik met een NRC-lezer die betrokken is bij de ‘stichting 11 september’. Dat is een club van George van Houts, de man die al jaren theater maakt van het in twijfel trekken van het ‘officiële verhaal’ rond de terreuraanslag, die 3.000 mensen het leven kostte.

Ik werd bestookt met feiten, cijfers, studies en redeneringen uit het Handboek Complot, waarin uiteraard vaststaat dat de uitleg waar wij goedgelovige sukkels in zijn getrapt, alleen al ‘natuurwetenschappelijk’ niet kan kloppen. Bijna twintig jaar later is de dikste strohalm nog altijd het ‘raadsel’ van de derde toren, WTC-7, die móét zijn opgeblazen. Ja, er zal altijd wel een krasje te vinden zijn (ik loop maar even op nieuw onderzoek vooruit) in schroef 356 van pilaar 127, dat uiteindelijk leidt naar de neocons in de regering-Bush, diverse westerse inlichtingendiensten of, zoals je her en der kon horen beweren op YouTube, de altijd beschikbare Mossad – de ‘zionisten’ hebben het natuurlijk sowieso gedaan.

Gelukkig trok mijn correspondent die laatste sinistere conclusie niet. Hij hield het bij een lawine aan technische, chemische en fysische details, die een leek braaf ja-knikkend moeten achterlaten: het kán niet kloppen! Niks nieuws. Met dit type complotdenken, dat zich uitput in het extrapoleren van ongerijmdheden, is het als met scholastieke Godsbewijzen: de conclusie kan dwingend lijken, maar alleen voor wie bereid is een lange reeks dubieuze of onjuiste premisses voor waar aan te nemen.

Ook in Nederland is complotdenken een cultureel fenomeen aan het worden. NRC besteedde er ruim aandacht aan, met reportages, analyses, columns en zelfs een artikel met tips hoe om te gaan met een familielid dat in het kweken van argwaan een nieuwe hobby heeft ontdekt, of zelfs een compleet nieuw wereldbeeld, waarin alles wél klopt.

Al die aandacht is geen wonder, want complotdenken ondergraaft niet alleen de maatschappelijke consensus over feiten en verklaringen, het is in zekere zin ook burgerjournalistiek in een holle spiegel: een bizarre uitvergroting of vertekening van onaangename of onacceptabele waarheden.

Nu is de geschiedenis vol van complotten, Julius Caesar kon er al – heel even – over meepraten, maar dat is het punt niet. Hardcore complotdenken is een manier van denken, met een non-logica die inspeelt op psychologische behoeften. Complotdenkers willen er niet aan dat twijfel een keer onredelijk wordt en dat verklaringen ooit een einde hebben. Of dat de simpelste verklaring vaak de beste is. Of dat een complexe gebeurtenis helemaal geen complexe oorzaak hoeft te hebben, zoals zij geloven omdat een handjevol kapers met plastic bestek ‘natuurlijk’ nooit die wereldhistorische gebeurtenis in 2001 kan hebben veroorzaakt. Of dat wie ergens belang bij heeft niet ook meteen dader of medeplichtige hoeft te zijn. Of dat er zoiets bestaat als toeval.

Dat bedacht ik me, na die beleefde correspondentie met mijn pen pal (we bleven „u” zeggen).

Maar nu blijkt er een nieuw soort achter-de-schermendenker te zijn opgestaan. NRC, de Volkskrant en De Groenesignaleren een nieuw type onophoudelijke vragensteller, mede aan de hand van het boek A Lot of People Are Saying van de hoogleraren Muirhead en Rosenblum (2019). Dat nieuwe model begraaft zich niet langer als een monnik in documenten, maar drijft vlotjes mee op uitzinnige fantasieën. Zie Pizzagate en QAnon: giftige brouwsels van bijgeloof, horror en extreem-rechtse paranoia. Politieke red pilling ontmoet het New Age-denken.

Je zou er – bijna – heimwee van krijgen naar die goeie ouwe geopolitieke complotdenker, koortsachtig op zoek naar het allerlaatste schroefje.

Nu heeft dit fenomeen in Amerika lange wortels; al jaren geleden vloog daar ‘christelijke fictie’ over de toonbank waarin de Antichrist verschijnt in de persoon van de secretaris-generaal van de VN. Maar ook in Nederland is inmiddels een ecologie ontstaan van oude en nieuwe complotdenkers, constateert ook Skepter, tijdschrift van de stichting Skepsis.

Heeft de journalistiek er zelf schuld aan, zoals in een NRC-column werd gesteld, met een verwijzing naar het lage vertrouwen in de media? Met dat vertrouwen valt het nog wel mee, maar eenvormigheid zal een rol spelen: radicaal-linkse of -rechtse media vind je hier vooral aan de digitale randen. Anderzijds, als media complotdenken in de hand werken, kan dat ook komen doordat journalistiek, empirisch en altijd onvolledig, zich maar slecht verdraagt met de hang naar absolute kennis en esoterisch inzicht die in tijden van crisis de kop opsteekt.

Wat moet een krant dan met dit denken? Met het nieuwe type, de YouTube-gnostici, valt nog een stuk moeilijker te communiceren dan met alternatievefeitenzoekers die blijven woelen over de derde toren. Wat journalisten wél kunnen doen om vertrouwen in hun werk te versterken: geef inzicht in je werkwijze, en zoveel mogelijk in je bronnen.

Sommige onderzoekers, zoals socioloog Jaron Harambam, pleiten ervoor complotdenkers niet te verketteren, maar serieus te nemen. Achter hun argwaan schuilen reële maatschappelijke zorgen over de surveillancestaat, bijvoorbeeld, of over de uitwassen van het kapitalisme. Die moeten niet worden weggewimpeld, maar geadresseerd.

Dat klinkt als redelijk paternalisme. Geloof in vampiers (of, de QAnon-versie: in een netwerk van pedofiele wereldleiders) zou dan een metaforische vertaling zijn van sociale kritiek. Wie weet. Ooit hadden we daar de Zondeval voor, die dienst deed om werelds kwaad te verklaren, alleen is die de laatste eeuwen helaas nogal uit de mode geraakt.

Maar je kunt ook het omgekeerde denken: sociale zorgen zijn een alibi voor complotdenkers, die altijd wel een actueel haakje vinden om hun medicijntas aan op te hangen. Bij ‘serieus nemen’ dreigt bovendien false balance: ruimte geven aan redeloze beweringen waar geen feit tegen op kan. Echte complotdenkers hebben al lang groepsimmuniteit bereikt voor weerlegging; bij elk scheurtje in de muur blijkt de voorraad steunbalken onuitputtelijk.

Maar kaf van koren scheiden, het moet kunnen. Natuurlijk moet ook in de reguliere media discussie worden gevoerd over, bijvoorbeeld, de wenselijkheid van huidige en mogelijke coronamaatregelen – zónder het virus te bagatelliseren.

Peilen van troebel water is nuttig, maar alleen als er ook iets serieus komt bovendrijven.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.