Profiel

Nobelprijs voor ‘doeners’ van VN

Winnaar vredesprijs Het Wereldvoedselprogramma van de VN is eraan gewend obstakels uit de weg te ruimen. „Andere organisaties zijn voorzichtiger.”

Ontheemde Jemenieten, afkomstig uit het gebied grenzend aan Saoedi-Arabië, worden ondersteund door het Wereldvoedselprogramma van de VN.
Ontheemde Jemenieten, afkomstig uit het gebied grenzend aan Saoedi-Arabië, worden ondersteund door het Wereldvoedselprogramma van de VN. Foto ESSA AHMED/AFP

Voor medewerkers van het Wereldvoedselprogramma (WFP) is het dikwijls om wanhopig van te worden. Staan ze klaar met vrachtauto’s vol voedsel voor burgers die vaak al maanden honger lijden, maar dan mogen ze niet verder van de lokale machthebbers. Die zien niets in hulp voor mensen in gebieden die door hun tegenstanders worden gecontroleerd. Het overkwam WFP deze zomer nog in Syrië, waar president Assad en zijn bondgenoten de hulp aan honderdduizenden noodlijdende vluchtelingen in Idlib dwarsboomden. Maar ook in Jemen en in Zuid-Soedan zijn zulke situaties al jaren aan de orde van de dag.

Het WFP, dat vrijdag de Nobelprijs voor de Vrede kreeg toegekend, is gewend aan het uit de weg ruimen van obstakels, nu eens kapotgebombardeerde wegen, dan weer tegenwerking van lokale bestuurders of militairen. „In landen als Jemen en Zuid-Soedan zijn de laatste honderd kilometer vaak het moeilijkst”, zegt Louise Fresco, voedsel- en landbouwdeskundige en voorzitter van Wageningen University.

Met zijn gigantische logistieke apparaat bevindt het WFP, veruit de grootste noodhulporganisatie van de Verenigde Naties, zich in de voorhoede van elke grote internationale hulpoperatie. In veel opzichten is het door zijn slagvaardige, niet al te bureaucratische optreden, een buitenbeentje in de VN-familie. „Het WFP is van: je doet iets en vraagt achteraf om vergeving”, zegt Leo van der Velden, een voormalig medewerker. „Andere organisaties zijn voorzichtiger.”

Sprinkhanenplaag

Het WFP baant vaak een weg voor andere hulporganisaties, van de VN en daarbuiten, en coördineert operaties. Het Nobelcomité hechtte juist daaraan groot belang. Tijdens de bestrijding van de coronapandemie ontbreekt het immers op veel terreinen aan die internationale samenwerking. Overheden beschermen vooral hun eigen burgers; de VS besloten zelfs de Wereldgezondheidsorganisatie de rug toe te keren. De VS en China zijn door de wereldwijde misère niet nader tot elkaar gekomen, maar nemen de pandemie gewoon op in hun wederzijdse vijandige retoriek.

Vóór de coronapandemie dreigde er al een recordaantal mensen afhankelijk te worden van voedselhulp. Dit als gevolg van de conflicten in Syrië, Jemen, Afghanistan, Congo, Zuid-Soedan en Venezuela, maar ook door de sprinkhanenplaag in het oosten van Afrika en Zuid-Azië en droogtes die mede veroorzaakt worden door klimaatverandering. Tegelijk werpt juist de pandemie logistieke hindernissen op voor de voedseldistributie.

Het WFP beperkt zich allang niet meer tot het dumpen van Amerikaanse landbouwoverschotten in arme landen, zoals in de eerste jaren na zijn oprichting in 1961. „Tegenwoordig is het beleid meer om lokaal voedsel te kopen, om het vaak tere evenwicht ter plaatse niet te verstoren”, zegt Fresco. Ook deelt het tegenwoordig vaak contant geld uit aan mensen om eten mee te kunnen kopen op de lokale markt.

Meer dan wie ook heeft WFP overzicht over de voedselbehoeften wereldwijd. Om te bepalen hoe groot die is, heeft het een fijnmazig monitoringssysteem ontwikkeld. Zodra het vermoeden van voedseltekorten rijst, voeren WFP-medewerkers een onderzoek uit. „We bellen mensen op om te vragen of ze genoeg te eten hebben, hoe ze omgaan met schaarste, hoe een tekort hen raakt”, vertelt Siemon Hollema, WFP-adviseur in Caïro en sinds vorig jaar verantwoordelijk voor het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Centraal-Azië.

Na kritiek heeft het WFP een ingrijpende decentralisatie doorgevoerd en de landenkantoren meer centraal gesteld. „Het WFP werkt zo beter en daardoor zijn de donaties ook toegenomen”, zegt Hans Hoogeveen, Nederlands WFP-ambassadeur in Rome. „Veel donoren hameren ook op een goede coördinatie tussen lokale organisaties in die landen. Ook wordt er tegenwoordig gekeken naar de samenwerking met het lokale bedrijfsleven.”

Sommige medewerkers ervaren wel nog dat er binnen de organisatie „een voorkeur is voor Amerikanen en Europeanen”, zo schreef website The New Humanitarian vorig jaar op basis van een extern onderzoek.

Een grote handicap is dat het WFP nooit van tevoren weet op hoeveel geld het kan rekenen. Het hangt af van de bijdragen van lidstaten, en die lopen van jaar tot jaar sterk uiteen. Dit jaar beschikt het over 6,3 miljard dollar. „Het gaat altijd om de balans tussen wat je moet doen en wat kan, gezien de capaciteiten: we hebben nooit genoeg middelen”, zegt Hollema. „We leggen de nadruk op mensen die al volledig van ons afhankelijk zijn, vluchtelingen en ontheemden. Dit zijn mensen die vaak al in een kritieke fase zijn. Het gaat er in de eerste plaats om de hulp aan die mensen in stand te houden.”

Halveren rantsoenen

Dat lukt niet altijd. In Jemen zag WFP zich genoopt de rantsoenen te halveren voor twaalf miljoen burgers die door acute honger werden bedreigd. Inmiddels hebben donoren weer wat geld toegezegd, maar niet genoeg. Veel landen hebben de gewoonte om geoormerkte hulp te geven, dat wil zeggen dat het alleen voor bepaalde projecten mag worden gebruikt. Nederland, dat zo’n zestig miljoen dollar per jaar bijdraagt, is een van de weinige landen die het WFP grotendeels de vrije hand geven in de besteding van het geld. Onafhankelijke experts vragen zich af of het WFP is opgewassen tegen de ‘hongerpandemie’ die dreigt. „WFP doet over het algemeen goed werk in moeilijke omstandigheden”, zegt Andrew Shepherd van het Overseas Development Institute, een denktank in Londen. „De vraag is of ze in de huidige crisis hun werk zouden kunnen opschalen als er echt massaal hongersnood uitbreekt.”