‘Hoezo is dit discriminatie en toen bijna alleen mannen werden aangenomen niet?’

Vrouwen in de wetenschap De Technische Universiteit Eindhoven stelde vacatures alleen open voor vrouwen en kreeg er zo bijna vijftig nieuwe vrouwelijke wetenschappers bij – tot het College voor de Rechten van de Mens het rigoureuze voorkeursbeleid veroordeelde. Drie van de vrouwen die werden aangenomen doen hun verhaal.

Lisanne Havinga (32) universitair docent bouwkunde
Lisanne Havinga (32) universitair docent bouwkunde Foto Roger Cremers

Lisanne Havinga (32), universitair docent bouwkunde op de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e), werkte een aantal jaren geleden als enige vrouw op een architectenbureau. Tijdens een presentatie op een congres verscheen een foto van haar team op het scherm. Iemand in de zaal riep: ‘Leuke secretaresse hebben jullie!’

De Griekse Alexia Athanasopoulou (31), universitair docent informatiesystemen aan de TU/e, komt uit een gezin waar jongens en meisjes als volstrekt gelijkwaardig werden gezien. Haar moeder en twee zussen zijn bèta’s. Seksisme? Ze kende het niet. Pas als student engineering, op een Griekse universiteit, kwamen de opmerkingen: ‘Engineering, jij? Maar je bent een méísje!’

Of neem Karen Veroy-Grepl (44), hoogleraar computationele wetenschappen aan de TU/e. Zij en haar man solliciteerden zo’n tien jaar geleden tegelijk op functies aan dezelfde universiteit in Duitsland. Ze hadden allebei vrijwel hetzelfde cv, en net hun eerste kind gekregen. Zij kreeg onmiddellijk de vraag hoe ze haar werk dacht te combineren met haar kind. Hem werd daar niets over gevraagd.

Dus ja, vraag deze vrouwen naar de zin van een voorkeursbeleid voor vrouwen en je krijgt een gloedvol betoog over nut en noodzaak ervan. Bij het begin van het nieuwe collegejaar vertellen de drie, in afzonderlijke gesprekken, over hun eigen ervaringen in de wetenschap en aan de Technische Universiteit Eindhoven.

Daar kwamen ze het afgelopen jaar binnen via het Irène Curie Fellowship, een voorkeursprogramma waarbij vacatures een half jaar lang exclusief werden opengesteld voor vrouwelijke wetenschappers. Werd binnen die termijn geen geschikte kandidaat gevonden, dan konden mannen alsnog solliciteren.

De TU/e bungelde jarenlang onderaan op lijstjes van het aandeel vrouwelijke wetenschappers, met slechts 17 procent vrouwelijke hoogleraren voordat het voorkeursprogramma in ging. Ter vergelijking: van alle hoogleraren in Nederland is nog geen kwart vrouw, volgens de jongste jaarlijkse Monitor Vrouwelijke Hoogleraren. Dat cijfer staat niet in verhouding tot het aandeel vrouwen dat elk jaar afstudeert aan Nederlandse universiteiten: bijna 54 procent. Maar bij elke stap op de carrièreladder – van student naar promovendus, naar universitair hoofddocent en hoogleraar – wordt dat percentage lager.

‘Als we denken aan een dokter of een wetenschapper, zien we nog steeds een man’

Sinds de invoering van het voorkeursbeleid voor vrouwen, vorig jaar juli, nam de TU/e 53 vrouwen aan: 45 universitair docenten, 3 universitair hoofddocenten en 5 hoogleraren. Maar door een uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens, afgelopen zomer, is het programma voorlopig stopgezet. Het doel van voorkeursbeleid is lovenswaardig, oordeelde het College na klachten over discriminatie van mannen, maar het is te rigoureus en gaat in tegen de Wet gelijke behandeling.

De TU/e zoekt nu nieuwe wegen om meer vrouwen aan te trekken en hoopt in januari verder te kunnen met een aangepast programma, waarbij nog maar een deel van de vacatures tijdelijk alleen voor vrouwen wordt opengesteld.

Alexia Athanasopoulou (31), universitair docent informatiesystemen

De uitspraak van het College was „zeer teleurstellend” voor Alexia Athanasopoulou. „De banen waren niet alléén voor vrouwen”, zegt ze. „Vrouwen mochten gedurende zes maanden solliciteren zonder concurrentie van mannen, daarna konden mannen gewoon meedoen.”

In het afgelopen jaar werden, naast de 53 vrouwen, óók 53 mannen aangenomen voor wetenschappelijke functies door de TU/e. Daarbij ging het vooral om vacatures die al voor het begin van het Irène Curie-programma uitstonden. „Ik denk dat dit feit over het hoofd is gezien. Tien jaar geleden werd bij 90 procent van alle functies aan de TU/e een man gekozen. Dus nu is het discriminatie, maar toen niet?”

Meedoen aan de race

„Als ik een man was”, zegt Karen Veroy-Grepl, „zou ik waarschijnlijk ook denken: dit is oneerlijk”. Ze begrijpt het sentiment van de melders van discriminatie dus wel, maar toch… „Het is een ingewikkelde kwestie, ik heb er veel over nagedacht. Maar het is gewoon nodig dat we vrouwen een zetje geven. Je moet een wetenschappelijke carrière zien als een race. Iedereen doet eraan mee. Maar de mannen worden aangemoedigd: ga door! De vrouwen lopen met extra gewicht op hun schouders. Ze hebben last van impliciete vooroordelen – dat ze kinderen zullen krijgen bijvoorbeeld, wel af zullen haken. Dat is onzichtbaar, maar het weegt met de jaren wel zwaar. Ik vind het lovenswaardig dat de universiteit nu zegt: jullie dragen dit gewicht al die jaren, laten we de race even stoppen en vrouwen een zetje geven. Niet alleen om het gewicht van hun schouders te nemen, ook om ze te compenseren voor al die jaren dat ze het droegen.”

‘Er zullen altijd mensen zijn die denken dat ik deze baan alleen maar heb omdat ik een vrouw ben. Prima, laat ze’

„Je moet als vrouw drie keer vaker laten zien dat je ergens verstand van hebt”, zegt Lisanne Havinga. „Je werkt zo hard mogelijk en nog is het niet goed. Dat steekt.” Een collega op de universiteit zei het ooit recht in haar gezicht: ‘Je hebt deze positie alleen maar gekregen omdat je een vrouw bent’. „Dat gaf me wel een rotgevoel, ja. Maar ik heb gelukkig nooit echt aan mezelf getwijfeld.”

Karen Veroy-Grepl (44), hoogleraar computationele wetenschappen

Ook Veroy-Grepl leerde zulke kritiek naast zich neer te leggen: „Anders was ik lang geleden al gestopt.”

Ze groeide op in de Filippijnen. Een „traditionele” omgeving, zegt ze, waar het overigens wel gebruikelijk was dat vrouwen werkten.

Veroy-Grepl: „Ze moesten wel. Het was een luxe om thuis te kunnen blijven.” Ook tijdens haar studie in de VS had ze weinig vrouwelijke rolmodellen. „Toen mijn begeleider, een mannelijke professor, me vroeg wat ik na mijn afstuderen wilde doen, kwam het niet eens bij me op om te proberen door te gaan in de wetenschap. Er waren misschien wel wat vrouwelijke professoren in mijn departement, maar ik heb geen les van ze gehad. Ik heb niet meegekregen dat het mogelijk was: vrouw zijn, professor zijn, een gezin hebben.”

Athanasopoulou zag buiten haar familie weinig vrouwen die hetzelfde carrièrepad kozen als zij. „In Griekenland worden vrouwen net als in Nederland als de primaire verzorgers van hun kinderen gezien. Al is het verschil met Nederland dat vrouwen meer worden ondersteund in overheidsbeleid om aan het werk te blijven, er is bijvoorbeeld een lang zwangerschapsverlof. Ze hoeven hun baan niet op te offeren voor hun kinderen.”

‘Typisch Nederlands probleem’

Dat deed de moeder van Lisanne Havinga wel. „Mijn moeder heeft informatica gestudeerd. Mijn vader wilde graag dat zij zou stoppen met werken toen zij kinderen kreeg, en dat deed ze. Tot mijn broer en ik achttien waren, heeft ze niet gewerkt. Daarna is ze terug het veld ingegaan. Daar heb ik veel bewondering voor, want het vakgebied is in al die jaren flink veranderd.”

‘Liever zou ik willen dat mijn vrouw-zijn geen factor is, maar ik merk telkens weer dat het wel zo is’

Op de middelbare school was Havinga een van de weinige meisjes die het profiel natuur en techniek koos, vertelt ze. „Door met buitenlandse collega’s te praten, ben ik er wel achter gekomen dat dat een typisch Nederlands probleem is. In Turkije en China bijvoorbeeld kiezen bijna meer meisjes voor wiskunde dan jongens. In Nederland zit het vooroordeel dat jongens beter zouden zijn in bèta-vakken echt diep.”

Op de universiteit verandert dat nu langzaam. Bij al hun lessen zitten vrouwelijke studenten, zeggen de drie wetenschappers. Bij het vak dat Athanasopoulou doceert, is de verdeling man-vrouw bijna fiftyfifty. Vaker is de verdeling ongelijker. Havinga: „Van de tien afstudeerders die ik onder mijn hoede heb, is er één vrouw.”

Door de coronacrisis is van fysieke bijeenkomsten met de vrouwen die via het Irène Curie-programma zijn aangenomen, weinig terechtgekomen. Wel waren er enkele digitale voorstelrondjes. Dat was „leuk”, „nuttig”, zeggen ze alle drie – maar regelmatig onderling contact is er niet. Eerder voelen ze een soort weerzin om in het hokje ‘vrouwelijke wetenschapper’ te worden gestopt. Het zou niet uit moeten maken, zegt Havinga, dat je een vrouw bent. „Al merk ik telkens dat het wel een factor is.”

Terwijl er naast het morele argument voor meer vrouwen in de wetenschap een heel sterk economisch argument is, zegt Veroy-Grepl: „Nederland geeft zo veel geld uit aan onderwijs voor mannen én vrouwen. Het slaat nergens op om, hoe subtiel ook, mensen het idee te geven dat een bepaald beroep niks voor een bepaalde sekse is. Dat gebeurt bij vrouwen en de wetenschap, maar ook bij mannen, in andere beroepen, bijvoorbeeld kinderopvang en de zorg. Dat is gewoon onbenut potentieel.”

Correctie (10-10-2020): In een eerdere versie leek Athanasopoulou te zeggen dat de Nederlandse overheid vrouwen beter ondersteunt in het combineren van werk en gezin. Maar ze bedoelt: de Griekse overheid. Dat is hierboven aangepast.