Recensie

Recensie Boeken

Voorzichtig oog voor de glinstering op het water

Kinderboek Prentenboekenmaker Mark Janssen verrast met een gevoelig rouwverhaal. Geheel in potlood-grijstinten, maar de kleur in de tekst prikkelt de verbeelding.

Illustratie uit 'Altijd dichtbij' van Mark Janssen.
Illustratie uit 'Altijd dichtbij' van Mark Janssen. Beeld uit besproken boek

Wie dacht dat Mark Janssen als prentenboekenmaker zijn stijl wel had gevonden, zal bij het openslaan van Altijd dichtbij even met de ogen knipperen. Waar zijn de uitbundige kleurenaquarellen gebleven en de betoverende decors met kleine details, waarmee de illustrator zich sinds zijn eerste eigen prentenboek Niets gebeurd (2016) onderscheidt? Niets wees erop, toen begin dit jaar Raar verscheen, dat Janssen op het punt stond artistiek een heel andere afslag te nemen. Dit kijkverhaal voor peuters waarin beesten een spiegel ‘in het midden van het boek’ zetten zonder te weten dat het een spiegel is, was wat minder wervelend dan Dino’s bestaan niet (2017) en het tekstloze Eiland (2018), maar de robuuste, veelkleurige dierportretten zijn wel onmiskenbaar van Janssens hand. Hetzelfde gold voor het dynamische spiegelbeeldenspel dat drijft op het door Janssen vaker toepaste Jan Klaassen-effect (het trucje dat de lezer meer ziet en weet dan de hoofdpersonen), wat verrassend en vrolijk makend kijkplezier garandeert.

Potloodkunstenaar

Dat alles dus niet in Altijd dichtbij. In dit betekenisvolle boek over een bedachtzaam jongetje dat zijn oma’s dood en liefdevolle herinnering aan haar een wezenlijke plek in zijn leven probeert te geven, manifesteert Janssen zich onverwacht succesvol als een heuse potloodkunstenaar: „Dit verhaal heeft helemaal geen kleur nodig”, zo vertelde hij onlangs in de kinderboekenpodcast De Grote Vriendelijke Podcast. En hij heeft gelijk. De indrukwekkende, fijnzinnige tekeningen zijn geïnspireerd op zijn reizen door Nepal, en roepen met hun oneindige variatie in zachte tinten tussen zwart en wit een mystieke sfeer. Die past geweldig goed bij de zoektocht die rouwverwerking is.

De kracht van het verhaal over Babu, zoals het jongetje heet, zit hem in de evenwichtige afwisseling van momenten van verstilling en dynamiek. Even subtiel als suggestief, zonder dat er ook maar ergens tranen worden geplengd, verbeeldt Janssen de groei die Babu doormaakt van een diepgevoeld gemis naar aanvaarding en verlichting. Illustratief is bijvoorbeeld de tegenstelling tussen de onstuimige openingsspread, waarop Babu boos en verdrietig in een meer tussen een troebele school warrelende vissen duikt, en de serene spread waarop hij mijmerend op een steigertje zit. De kalmte van het water en het landschap dat een zwierige Matisse-achtige uitstraling heeft, brengt bezinning. Weliswaar merkt Babu nog niets van oma’s belofte dat als hij verdrietig is vanwege haar dood ze dan juist heel dicht bij is, toch krijgt de jongen weer voorzichtig oog voor ‘de glinstering op het water/ de geluiden van de vogels en de mooie vis’, die Janssen door effectief spel met scherpe licht-donker contrasten veelzeggend laat oplichten.

Apentempel

Dat Babu’s wereld weer kleur krijgt, blijkt ook uit de poëtische tekst. Wanneer hij ‘in de schaduw/ dicht bij de gerimpelde huid/ van de oude banyanboom’ de vallei overziet, merkt Babu een boompje op, ‘fris in duizend kleuren groen’. En bovenop de apentempel ziet hij de hemel van ‘rood naar paars naar het donkerste blauw’ verkleuren, wat met uitzicht op een door Kathmandu geïnspireerde, dicht opeengepakte stad een imposante plaat oplevert die toont hoe minutieus Janssen te werk is gegaan.

De kleur in de tekst prikkelt de verbeelding, en vult de potlood-grijze illustraties prachtig aan. Jammer genoeg is die wisselwerking tussen tekst en beeld niet overal in balans. Hier en daar had Janssen best zuiniger en preciezer van taal mogen zijn. Dat Babu’s gemis zijn oma betreft (‘Oma is er niet meer…’) had bijvoorbeeld prima weggelaten kunnen worden. Kort daarna staat er immers, ‘Oma?/ Is het te veel gevraagd/ om een teken te geven?’ Ook die vraag om een ‘teken’ is te expliciet. De troostrijke uitkomst dat oma uiteindelijk doorleeft in alles wat Babu om zich heen ziet, ligt al zo gevoelvol en als vanzelfsprekend besloten in de evocatieve prenten. In het beeld van de majestueuze banyanboom, in de sprankelende sterrenhemel boven Kathmandu, de levendige curiosa-uitstalling bij een bazaar. Ze vragen om een nauwlettende blik en nodigen tegelijkertijd uit verder te kijken dan het oog reikt. Eigenlijk precies zoals Janssen dat in al zijn prentenboeken doet.